Jos Heymans

In de ban van Iran

21 januari 2012 15:22

Het is nauwelijks voor te stellen, maar het officiële beleid van de Europese Unie is het ontwikkelen van goede politieke en economische betrekkingen met Iran waarvan beide kunnen profiteren.

In 1998 is daarvoor een formele samenwerking aangegaan. Iran is voor Europa een belangrijke handelspartner. De Unie importeert jaarlijks voor ruim 14 miljard euro goederen uit Iran (voornamelijk olie) en Iran koopt voor dik elf miljard euro producten uit Europa.

Door politieke samenwerking hoopt de EU invloed en controle te kunnen uitoefenen op de rol van Iran in het vredesproces in het Midden-Oosten, op de mensenrechtensituatie in Iran zelf en op de ontwikkeling van massavernietigingswapens door het islamitische land.

Maar de zeepbel is allang uiteengespat. Van goede betrekkingen is sinds 2005 – toen Iran zijn nucleaire programma startte - allang geen sprake meer. De onderhandelingen zijn dat jaar opgeschort; de Europese Unie en Iran praten nauwelijks meer met elkaar en de handelsbetrekkingen staan op een laag pitje.

De taken van de Europese ambassadeurs in Teheran beperken zich tot het in de gaten houden van het Iraanse regime en het verlenen van bijstand aan Europeanen die in moeilijkheden zijn gekomen. In de avonduren is rummicup een geliefd tijdverdrijf geworden voor de diplomatieke vertegenwoordigers in de Iraanse hoofdstad.

Iran is voor Europa veranderd van een belangrijke partner in een potentiële vijand die de wereldvrede bedreigt. Het nucleaire programma dat Iran ontwikkelt – volgens Teheran uitsluitend bedoeld voor vreedzaam gebruik – is een nachtmerrie voor nagenoeg alle wereldleiders.

De twijfels over de bedoelingen van Iran zijn gerechtvaardigd, zolang het regime in Teheran weigert volledige opening van zaken te geven en niet meewerkt met het Internationaal Atoom Agentschap (IAEA), waartoe alle VN-landen - dus ook Iran - verplicht zijn.

Omdat Teheran ook niet van plan is constructieve gesprekken te voeren over haar atoomprogramma, hebben de Verenigde Naties een reeks van sancties tegen het land afgekondigd. Zoals bevriezing van Iraanse tegoeden, een reisverbod voor Iraanse regeringsvertegenwoordigers en een wapenembargo. Europa gaat een stapje verder; kennelijk zijn de VN-sancties onvoldoende.

Met ingang van dit weekend wordt het reisverbod voor regeringsvertegenwoordigers uit Iran uitgebreid. De VN hebben 41 personen als ongewenst aangemerkt, de Europese Unie breidt de lijst uit tot 113 mensen, onder wie ook leden van de Revolutionaire Garde.

En ook het aantal bedrijven dat eigendom is of onder controle staat van Teheran en waarmee geen zaken mogen worden gedaan, is fors groter dan het aantal dat door de VN in de ban is gedaan. Europa heeft 433 bedrijven op de zwarte lijst staan, de VN 75.

En op de 3142e vergadering van de Europese ministers van buitenlandse zaken, aanstaande maandag in Brussel, zullen voorstellen worden gedaan om de sancties verder uit te breiden.

De hardere lijn van Europa heeft te maken met de miserabele mensenrechtensituatie in Iran. Sinds de presidentsverkiezingen van 2009 zijn de schendingen sterk toegenomen.

Mensenrechten zijn een topprioriteit van de Europese Unie. Inmiddels zijn 61 Iraniërs die zich schuldig hebben gemaakt aan grove mensenrechtenschendingen door de EU op de zwarte lijst geplaatst.

Veel andere mogelijkheden heeft Europa niet. De Unie maakt niet officieel deel uit van de E3+3 (Frankrijk, Duitsland, Verenigd Koninkrijk, VS, China en Rusland), de landen die namens de wereldgemeenschap voor zover mogelijk onderhandelen met Iran om het land op andere gedachten te brengen.

Europa moet het dus vooral hebben van politieke en economische sancties om Iran onder druk te zetten. Maar tot nu toe is het regime in Teheran daar niet echt gevoelig voor.

Politiek columnist Jos Heymans over wat hem opvalt in de Haagse en Europese politiek.