Zondaginterview

Dit is de man die honderdduizend vogels redde (en al 30 jaar niet op vakantie ging)

26 mei 2019 07:23 Aangepast: 26 mei 2019 14:50
Gerrit Zant houdt een gered uiltje vast. Beeld © RTL Nieuws

Gerrit Zant (69), oprichter van dierenopvang De Toevlucht, heeft al duizenden vogels in zijn handen gehad. Sommige stierven, de meeste wist hij te redden. Als het moet, voedt hij 'die beessies' om het halfuur, dag én nacht. Maar knuffelen is verboden.

Hij heeft vermoedelijk geen idee waar hij is. Hoe hij hier is terechtgekomen. Waar zijn moeder is. Wie hem die stukjes muis toch in z'n altijd openstaande snavel propt. Maar over pakweg vier, vijf dagen, zal het donzige bosuiltje zijn ogen openen, voor het eerst. Hallo wereld. Dan zal-ie zien wie hem toch die stukjes muis elke keer in z'n snavel propt.

Gerrit Zant (69) grinnikt. "Zal wel effe schrikken zijn, hè, als-ie mij ziet."

"Elk vogeltje is voor mij even belangrijk, ik maak geen verschil." "Elk vogeltje is voor mij even belangrijk, ik maak geen verschil."

Grote handen

Gerrit is een grote man. Grote handen ook – het bosuiltje past wel twee keer in zijn handpalm. In allebei zijn oren zitten twee gouden ringen, om zijn nek hangt een grote ketting met een haaientand. Zijn accent is plat Amsterdams. Officieel komt hij uit Haarlem, maar hij woont nu al meer dan de helft van zijn leven in de hoofdstad.

Dertig jaar geleden richtte Gerrit – 'zeg maar Ger' – een dierenopvang op, op een door God vergeten stukje niemandsland in de Bijlmer. Hij was toen eind veertig, werkloos, en dacht: ik moet wat met mijn leven. "Ik was vroeger zo'n kind dat op school nagenoeg niets kon. Ik was niet technisch, niet bijster goed met taal, kon niet rekenen. Ik zat alleen maar naar buiten te turen, want in de natuur, dáár gebeurde me toch veel moois..."  

Een baby-papegaaitje. "Dat wordt een kletskousje." Een baby-papegaaitje. "Dat wordt een kletskousje."

Niemand wilde het 

Dan hadden Ger en zijn klasgenootjes geschiedenisles en vroeg de juf aan hem: 'Gerrit, hoe kwamen de Bataven naar Nederland?' Gerrits antwoord: 'Juf, in die boom zit een houtduif een nestje te maken.'

Gerrit zag zo'n dertig jaar geleden op tv dat er een vogelopvang bij iemand thuis in Amsterdam stopte, en dacht: ik ga dat ook doen, maar dan beter. Ger huurde het stukje grond van de gemeente Amsterdam. Was niet heel moeilijk, want, even eerlijk: niemand wilde het hebben. "Er lagen overal spuiten, handtasjes van dames – nou, dan weet je wel hoe laat 't is hè. Het was geen fijne plek, maar dat komt ook omdat niemand je hier ziet, je zit verscholen in de bosjes."

"Pas als alle bekkies gevoed zijn, kan ik naar bed." "Pas als alle bekkies gevoed zijn, kan ik naar bed."

Gekwetter

Hoe anders is het nu. Het is ondenkbaar dat het geronk van de hoofdstad nog geen kilometer verderop onophoudelijk doorgaat, hier klinkt alleen maar gekwetter en getetter. Wie het terrein oploopt, wacht een warm welkom. 'Fiet-fieuw. Hoi! Hoi!' En dan nog eens, maar dan een toontje harder: 'Fiet-feeeeeuuw!' Afkomstig van een halsbandparkiet die zich de taal ooit machtig heeft gemaakt in een bruin café in Amsterdam-Oost.

"Ik heb echt alles al gehoord in de afgelopen jaren. Soms zeg ik ook: 'Zeg nou eens wat nieuws, jongen." "Ja, die halsbandparkiet is een babbelbox", zegt Gers partner, die sinds vijf jaar in dienst is bij de opvang. Ze heeft een warmtelamp in de hand – voor een klein gansje, gisteren binnengebracht.

Een vosje komt bij in een kooi. Een vosje komt bij in een kooi.

Levenswerk

In de begintijd kwam Ger rond van een uitkering en bouwde hokken en kooien van hout dat-ie bij het grofvuil vond. "Ik had de achterruit van mijn auto eruit gehaald, zodat ik nog meer planken mee kon nemen. En ook van die lange exemplaren."

Hij bouwde stug door aan wat later zijn levenswerk werd – en dat van zijn vriendin, zijn vijf vaste medewerkers en tientallen vrijwilligers. "Ik heb denk ik honderdduizend vogels door mijn handen laten gaan."

Aangereden eenden, gewonde duiven, meerkoetjes, merels, huismussen, zieke zwanen, reigers, ooievaars. Afgedankte kanaries van mensen die uit huis zijn gezet, parkietjes waarvan de baasjes zijn overleden. In 2013 zelfs een Japanse pestvogel, verzwakt, uit het wild, 'een raamslachtoffer'. Er verschijnt een jongensachtige glinstering in Gers ogen. "Die zie je bijna nooit."

Een jong uiltje. Een jong uiltje.

Knuffelen is verboden

Ook zoogdieren zijn welkom. Dassen, bunzings, marters ('fascinerende beesten'), eekhoorntjes, konijntjes, egels, heel veel egels. En morgen is er een vosje dat wordt losgelaten in Almere. Het tengere beestje zit nu nog in een ruime buitenkooi. Hij staat muisstil, staart tussen de benen, angstige gele ogen staren Ger aan. "Het is goed dat hij bang is", knikt die. "Hij mag niet aan mensen wennen. Ik zeg altijd: zo weinig mogelijk contact met onze handen en stemmen, niet knuffelen, niet hechten, zo veel mogelijk laten. Tamme dieren kunnen de natuur niet in."

In de loop der jaren is de opvang groter en groter geworden: Ger kreeg subsidie, bouwde nieuwe hokken, verwierf donateurs, dierenambulances en particulieren wisten Ger steeds vaker te vinden. Op elk mogelijk tijdstip. Elke nacht staan er twee verwarmde hokken aan – klaar voor vogeltjes die het nodig hebben. "Kou is funest voor zo'n beessie."

Ger met een roofvogel die vrij kan worden gelaten in de  natuur. Ger met een roofvogel die vrij kan worden gelaten in de natuur.

Geen verschil

Als er een babyvogeltje in de nacht wordt binnengebracht, staat Ger op, hij woont met zijn vriendin in een bescheiden huis op het terrein. "Ze zeggen weleens dat je niet bij je werk moet gaan wonen. Snap ik wel. We maken overuren, die snaveltjes staan continu open. En een gelúíd dat eruit kan komen. Vooral bij spreeuwtjes…"

Enerzijds praat Ger liefkozend over de dieren. Bijna alsof het mensen zijn. Vraag hem wat zijn lievelingsdier is, en hij zegt steevast: "Ik maak geen verschil." En dan nog erachteraan, haast waarschuwend: "Al vraag je het me honderd keer."

Een gespalkte poot van een gewonde reiger. Een gespalkte poot van een gewonde reiger.

Dieren in laten slapen

Anderzijds is-ie ook praktisch. "Ze pikken, bijten en schijten en wij moeten het opruimen. Zodra je een dier opvangt, ben je ober. Soms hebben we wel vijftig baby'tjes die dag en nacht om het halfuur gevoed moeten worden. Je kan dan pas weer naar je bed als alles stil is."

Ook onoverkomelijk: dieren die in de Toevlucht hun laatste adem uitblazen. Ook voor dat karweitje is de dierenarts hier wekelijks. "Dat went nooit. Ik huil niet, maar soms is er die brok. Dan heb je vier dagen lang een babymereltje gevoed, en dan haalt-ie het toch niet. Maar dan is het ook snel weer verder. Want er zijn nog veertig ándere babyvogeltjes."

Met een busje brengt Gerrit Zant dieren terug naar waar ze gevonden zijn. Met een busje brengt Gerrit Zant dieren terug naar waar ze gevonden zijn.

Nee kent-ie niet

Ger zegt bijna nooit nee. Ook niet toen ze vanaf Schiphol belden: er was een lading met duizend exotische vogeltjes onderschept bij de douane. Of Ger iets kon doen. Ja. Ger kon iets doen. "Dan zeur je niet, dan vloek je niet: je denkt in oplossingen. Ik heb zo veel hokken. Ik schuif wat en dan komt het goed."

Hij heeft ook weleens honderd zwanen gehad, tegelijkertijd, na een olieramp in de Westhaven. "Na zo'n belletje weet je: alle hens aan dek, dit worden weer 90-urige werkweken, maar waar moeten die beesten anders heen?" Op dat soort momenten ziet Ger de mensenwereld en de dierenwereld met elkaar botsen. "We maken het de dieren soms onmogelijk om hun leven te leven. Als je eens zag hoe vaak ik aangereden of besmeurde vogels binnenkrijg…"

Bijlmerramp

Zijn 'persoonlijke dieptepunt' was de Bijlmerramp op zondagavond 4 oktober 1992, waarbij een vliegtuig neerstortte in een woonwijk. 43 mensen kwamen om. Ger ontfermde zich, 'zo goed en zo kwaad als dat kon', over de dieren. "Mensen waren naar het ziekenhuis, of omgekomen. Buren kwamen aan met achtergebleven honden, hamsters, konijnen, kanaries, parkieten. Sommige waren gewond."

Vanaf die desbetreffende zondagavond tot het eind van het jaar heeft Ger op de houten vloer van zijn opvang geslapen. "Ik wilde continu bij die beesten zijn." IJskoud was het – de Toevlucht had nog geen verwarming en Ger moest het met een petroleumkacheltje doen.

De moeder van dit egeltje is dood, dit beestje bleef leven. De moeder van dit egeltje is dood, dit beestje bleef leven.

Opoffering

Maar spreek niet van een opoffering. Want dat is het niet. Zelfs niet als Ger vertelt dat hij sinds de opening van de Toevlucht niet meer op vakantie is geweest. "Het is geen topbaan hè, qua salaris", zegt hij. "Maar het is prachtig." Bovendien: hij kan niet zomaar weg. "Wie doet het dan?"

Ja, wie doet het dan?

"Dat vind ik een pijnlijke vraag." Hij is even stil. "Soms probeer ik dingen over te dragen aan de meiden die hier werken: die zijn zo kundig. Kundiger dan ik. Dan doe ik alleen de avondopvang. Maar ja. Als er dan weer een flinke lading binnenkomt… Ik kan het niet laten, het zit in me om bij die beesten te zijn."

En helemaal stoppen, ooit? Behoort dat tot de opties? Ger mompelt wat, onhoorbaar. Het is vermoedelijk ook niet de bedoeling dat iemand het hoort. Zijn antwoord gaat op in het gekwetter en getetter – het geluid dat hem al dertig jaar zo lief is.

Nadat ze weer zijn opgelapt, worden deze zwanen vrijgelaten. Nadat ze weer zijn opgelapt, worden deze zwanen vrijgelaten.
`