Lifestyle

Meer mannen voor de klas, dat is beter voor iedereen

29 januari 2020 21:46 Aangepast: 10 februari 2020 13:49

Minder dan 20 procent van de leerkrachten in het basisonderwijs is man. Dat is bijzonder weinig. Hoe komt dat eigenlijk? En is het erg? We vragen het aan twee experts en spreken twee bevlogen meesters over de pracht van hun vak.

Vierdaagse lesweken, overvolle klassen, geen vervanging bij ziekte van de docent: dat er een ernstig tekort is aan leraren is welbekend – daarom wordt er vandaag en morgen gestaakt. En dan is er ook nog eens een groot gebrek aan mannen in het onderwijs. Hun aantal neemt steeds verder af. En dat terwijl zowel jongens als meisjes gebaat zouden zijn bij meer kerels voor de klas. Dat komt door de verschillende manieren waarop ze leren.

Jongens presteren minder goed dan meiden, en dat heeft te maken met vorm waarin het onderwijs de laatste 25 jaar gegoten is, aldus Henno Oldenbeuving. Hij werkt als onderwijsadviseur, coach en docent, en houdt zich in die hoedanigheid al jaren bezig met onderzoek naar de verschillen tussen jongens en meisjes in het (basis)onderwijs.

“Het is onmogelijk om niet te generaliseren wanneer je over dit onderwerp praat”, zegt Oldenbeuving meteen. Dat maakt het vaak lastig om er goed over te praten, omdat er in een streven naar gelijkheid vaak wordt vermeden om de verschillen tussen mannen en vrouwen aan te stippen. Maar als we de verschillen niet benoemen, blijft het lastig om misstanden in het onderwijs echt aan te pakken.

We moeten beter naar de behoeftes van kinderen kijken

Maatwerk

En zo zijn er talloze uitzonderingen, maar in de regel leren jongens op een andere manier dan meisjes, zeker in het basisonderwijs. De huidige inrichting van het onderwijssysteem heeft vaardigheden zoals samenwerken, zelfreflectie en vooruitdenken hoog in het vaandel, en dat zijn nou net dingen die meisjes doorgaans wat beter kunnen dan jongens, zegt Oldenbeuving. De ‘jongensachtige’ leerstijl, die meer gericht is op trial and error, competitie en directe feedback, wordt veel minder toegepast op scholen. Deze eenvormigheid is niet alleen nadelig voor de jongens, maar ook voor meisjes. “Er moet beter naar de behoeftes van alle kinderen worden gekeken”.

Gedragskundige Lauk Woltring beaamt het belang van een diversere leerstijl. Hij specialiseert zich sinds de jaren ’70 in het gedrag en de ontwikkeling van jongens. “Jongens doen er langer over om hun talige vermogens te ontwikkelen. Dan heb ik het niet alleen over woordenschat, maar ook over jezelf uiten, zelfreflectie en praten over twijfels gevoelens.” Gemiddeld hebben jongens op dat vlak een achterstand van 2 jaar, die niet zomaar wordt ingelopen zonder de juiste ondersteuning.

Woltring vertelt ook dat jongens vaak beweeglijker zijn, waar meisjes van dezelfde leeftijd al een betere fijne motoriek hebben. Meisjes doen hun best om iets in één keer goed te doen, jongens vinden het leuk om dingen die eerst misgaan, nog eens te proberen. Het een is natuurlijk niet beter dan het ander, maar in de vorm van ons huidige onderwijs komen meisjes dus beter tot hun recht. Ten opzichte van 30 jaar geleden wordt er tegenwoordig op school veel minder gesport en bewogen, er zijn meer toetsen en hogere eisen.

Het effect van deze toegenomen prestatiedruk is niet alleen dat jongens minder gemotiveerd zijn en slechter presteren. Meisjes hebben er ook last van. Als gevolg van het prestatiegerichte onderwijs krijgen veel meer meiden op jonge leeftijd last van stress-gerelateerde klachten en is er in sommige gevallen zelfs sprake van burn-out klachten bij meisjes van nog maar 13 jaar, vult Oldenbeuving aan.

Het hele systeem moet op de schop

Lauk Woltring denkt dat meer mannen voor de klas een positief verschil zou maken. Er is natuurlijk meer aan de hand dan een meester-tekort, maar het zou een goed begin zijn. Mannen voor de klas uitten zich vaak korter en duidelijker dan hun vrouwelijke collega’s, die meer woorden gebruiken en genuanceerd zijn. Voor jonge jongens, die nog minder taalvaardig zijn, is deze ‘mannelijke’ aanpak prettiger, omdat lange zinnen met nuance soms te ingewikkeld zijn om de hoofdlijn uit op te pikken. Uit onderzoek blijkt dat jongens minder veilig ‘gehecht’ zijn aan hun leerkrachten als deze geen oog hebben voor hun vaardigheden en ontwikkeling, wat kan resulteren in zwijgzaamheid of juist brutaal gedrag. Dit maakt dat jongens hun interesse in school verliezen.

Henno Oldenbeuving stelt ook dat meer diversiteit voor de klas verschil zou maken. “Je wil gewoon een goede afspiegeling van de samenleving voor de klas.” Niet alleen jongens hebben daar baat bij, voor meiden zou het ook goed zijn. Maar hij benadrukt: “Het gaat verder dan wie er staat: het hele systeem moet eigenlijk op de schop”.

Demotiverende opleiding

Oldenbeuving refereert hiermee onder meer naar de manier waarop leerkrachten nu worden opgeleid. Hij deed onderzoek naar de reden waarom mannen vaak vroegtijdig met hun opleiding aan de pabo stoppen. Uit zijn onderzoek kwam naar voren dat mannelijke studenten vaak geen fan zijn van de reflectieverslagen, dat de verplichte kleuterstage in het eerste jaar vaak een afknapper is, en dat ze zich vaak niet serieus genomen worden als professional. De passie die ze voelen voor het vak komt niet overeen met wat ze in de praktijk ervaren. En dat is natuurlijk eeuwig zonde.

Het nieuwe leren

Volgens Oldenbeuving ging het mis na de introductie van de basisvorming, inmiddels ruim 25 jaar geleden. Een van de gevolgen van die verandering is dat kinderen op jonge leeftijd veel meer verantwoordelijkheden krijgen. Meisjes kunnen dat op de basisschool beter dan hun mannelijke leeftijdsgenoten. Hoogleraar neuropsychologie Jelle Jolles schreef in 2007 al dat deze nieuwe vorm van leren vooral voor meisjes gunstig uitpakt.

Fijn voor de meisjes, zou je misschien denken, maar volgens Woltring hebben ook meisjes iets aan een andere insteek. Meiden hebben vaak een wat lager zelfbeeld en durven minder snel fouten te maken. Op scholen waar jongens het goed doen, doen meisjes het vaak ook goed. Daarnaast moeten we ook de kwaliteiten van jongens meer waarderen, zegt Oldenbeuving, want dat zou het onderwijs ten goede komen.

Een betrokken vader doet wonderen

Dit is niet alleen de taak van die paar meesters voor de klas, ook juffen kunnen uiteraard het verschil maken voor de jongens in hun klas, zegt Woltring. Door bijvoorbeeld nieuwsgierig in plaats van controlerend op te treden. Vraag in plaats van “Wat doe je daar?” eens “Vertel eens wat je aan het doen bent?”. Het is ook van belang op welke toon dit gebeurt. En in plaats van te bestraffen liever samen de rommel op te ruimen. Daarnaast is er ook bewezen dat een betrokken vader wonderen doet in de taalontwikkeling van jongens, die het vervolgens ook beter zullen doen in het onderwijs, én minder riskant gedrag vertonen, legt Woltring uit. Dus vaders, neem je verantwoordelijkheid! Daarbij komt ook nog dat meisjes met een betrokken vader risico’s meer risico's durven te nemen. Tel uit je winst!

Hoe de meesters er zélf naar kijken

Meer mannen voor de klas lijkt voor iedereen een goede zaak. Om erachter te komen hoe de meesters hier zelf naar kijken, spraken we er twee: Wouter Nannings en Wim Boks.

Wouter Nannings (25) geeft op maandag, dinsdag en woensdag les aan groep 6. Op donderdag en vrijdag maakt hij zijn opleiding aan de pabo af. Hij zit in zijn laatste jaar en is bevoegd om voor de klas te staan. Hoewel het niet gebruikelijk is, kreeg hij toch al vóór zijn afstuderen een eigen klas. Nannings: “Het is fantastisch om die kinderen iets te leren, om echt iets bij te dragen aan hun ontwikkeling”.

Herkenbare kritiek

Toch herkent hij de verhalen van veel pabo-afhakers wel. “Veel mannen denken dat het basisonderwijs alleen maar uit snotneuzen en gillende kinderen bestaat. Als je dan moet beginnen met een kleuterstage, bevestigt dat het beeld wat veel mannelijke studenten afschrikt.” Terwijl het onderwijs natuurlijk veel meer is dan dat.

Samen met collega’s doet Wouter zijn best om het voor de klas staan weer wat aantrekkelijker te maken voor mannen. Ze maakten de onderstaande foto om hun beroep te promoten.

'Be a man, be a teacher', zeggen Wim Boks, Wouter Nannings en collega's 'Be a man, be a teacher', zeggen Wim Boks, Wouter Nannings en collega's

Terug naar het onderwijs

Wim Boks (60) stond in 1981 al voor het eerst voor de klas. Het onderwijs was populair in die tijd en op één vacature reageerde soms meer dan honderd mensen.

Toch bleek er in eerste instantie weinig toekomst te zitten voor Wim. Er werd hem geen vast contract geboden en daardoor lukte het Wim niet om een hypotheek afsluiten. Hij besloot over te stappen naar de horeca, maar toen er rond de eeuwwisseling weer gezocht werd naar mensen in het onderwijs, twijfelde hij niet en ging direct terug. “Ik heb het altijd met plezier gedaan, en zal het altijd met plezier doen.”

Iets betekenen voor leerlingen

“Kinderen zijn spontaan en eerlijk tegen naar je. Het is mooi om een rolmodel voor ze te kunnen zijn, je kunt echt iets voor ze betekenen. Je geeft ze handvatten mee voor later, in de maatschappij.” Het mooiste vindt Wim de verhalen van oud-leerlingen: “Het is fantastisch om die later te weer spreken en te horen wat voor herinnering ze aan mijn lessen hebben.” 

Wim merkt in de klas weinig van de verschillen tussen jongens en meiden. Maar hij ziet soms wel een verschil met vrouwelijke collega's, die bijvoorbeeld tijdens de gymles net iets voorzichtiger doen met de kinderen. Wim benadert zijn leerlingen net een tikkeltje anders. “Ieder kind zoekt zijn eigen grens wel”, denkt hij.

Ook Wim vindt diversiteit in het onderwijs belangrijk: “Het moet gewoon een afspiegeling van de samenleving zijn. Dat is voor jongens en meiden goed.”

Altijd weten wat er speelt?
Download de gratis RTL Nieuws-app en blijf op de hoogte.

Playstore Appstore