Ophef om 'labbekak'-uitspraak

Van labbekak tot schobbejak: oud-Hollandsch schelden

24 juni 2015 15:21 Aangepast: 25 juni 2015 15:06

Mensen in de bijstand zijn 'labbekakken', zegt werkgeversbaas Hans de Boer. Een labbekak? Doe even normaal, joh, wat is dat? Waar komt dat woord vandaan? En als we toch bezig zijn: welke andere scheldwoorden ‘verrijken’ al van oudsher de Nederlandse taal?

De beknopte historie van de betekenis van het woord 'labbekak': van slappe ouwehoer naar werkschuwe Wammes. Het woord kwam al tussen 1500 en 1700 voor in het Nederlands, zegt taaladviseur Tamara Mewe van Onze Taal. "Toen had het de betekenis van 'babbelaarster' of 'kletser'."

Zo werd volgens de Etymologiebank in 1611 de uitspraak opgetekend "Dese labbekacken halen ellick-ien by de naars op". Vertaald: "Deze babbelaarsters spreken over iedereen kwaad."

ZIE OOK: Excuses voor 'labbekak'-uitspraak bijstandsuitkeringen 

'Labbekak' bestaat uit de werkwoorden 'labben' en 'kakken'. "'Labben’ kan 'babbelen' of 'likken' betekenen, 'kakken' kan slaan op kakelen of mogelijk toch op poepen. Daarover verschillen de bronnen van mening", legt Mewe uit. "Het is niet precies te zeggen waar het woord is ontstaan."

Wel is de betekenis van ‘labbekak’ in de loop der tijd verschoven. "Het werd een scheldnaam voor een bangelijke, benauwde kerel of sul. Misschien was de associatie dat iemand die veel babbelt eigenlijk bang is: hij kletst veel, maar durft weinig te doen."

Leuterende luie donder
De Boer zal vast niet bedoeld hebben dat uitkeringstrekkers zulke kwebbelkousen of angsthazen zijn. Mewe: "Het woord labbekakkerig werd op den duur ook gebruikt voor 'sloom'. Dan zit je al in de richting van 'lui, passief'."

Ook daar is wel een logisch verband te bedenken. Een kletsmajoor heeft het wellicht drukker met leuteren dan met arbeiden, de luie donder. "Het is opmerkelijk dat iemand zo’n oud woord gebruikt", zegt Mewe. "Ik durf niet te zeggen hoeveel mensen 'labbekak' nog actief gebruiken."

ZIE OOK: Scholier spelt slecht, maar hoe goed is jouw Nederlands? Tien opgaven

Heel aardig is het in ieder geval niet, vindt ook Mewe: "Het drukt toch iets negatiefs uit, en het is geloof ik niet grappig bedoeld. Het lijkt mij niet helemaal gepast in deze context."

Maar ze voegt daaraan toe: "De betekenis en de lading van woorden kan per persoon sterk verschillen. Wij zeiden vroeger thuis: 'Hé, wat doe je sacherijnig!' Later merkte ik dat dit voor anderen een zwaar beledigende opmerking kan zijn."

Van Addergebroed tot Zemelaar
Een lijst van andere ouderwetse taalverrijkers met de periode waarin het woord voor het eerst in Nederlandse woordenboek stond.

Addergebroed
Slecht mens/gespuis (13de – 15de eeuw) Het broedsel of het nest van een adder (een slang).

Belhamel
Deugniet (16de eeuw) Van 'bel' en 'hamel'. Een hamel is een gecastreerde ram. Een gecastreerde ram kreeg een bel om en werd gebruikt als aanvoerder van de kudde schapen. Later werd een belhamel 'aanvoerder bij oproer, oproerkraaier'. Daar komt weer 'kwajongen' en 'deugniet' vandaan.

Flapdrol
Oppervlakkige man of sufferd (19de eeuw). Van 'flap' in de betekenis van neerhangend lapje, en 'drol'. Drol betekende vroeger ook zot of dwaas.

Gajes
Slecht volk (19de – 20ste eeuw) Ontleend aan het Jiddisch, maar het is niet zeker welk woord. Komt misschien van 'gajes' dat 'niet-Joden' betekent. Een tweede mogelijkheid is 'chajjes', Jiddisch voor dieren.

Galbak 
Vervelend, zeurderig iemand, chagrijnig persoon, iemand die steeds negatief doet. (20ste eeuw) Het werkwoord 'gallen' betekent klagen, kritiek uitoefenen en wordt veel gebruikt bij de marine. Mogelijk populair geworden in de jaren 60 door schrijver Jan Cremer.

Kloef
Lomperd (19de – 20ste eeuw) Van het woord 'klieven' zoals het klieven van hout.

Laaielichter 
Onbetrouwbaar persoon, oplichter (19de eeuw) Van ladelichter: iemand die de inhoud van toonbankladen steelt.

Lellebel
Slonzige vrouw (19de eeuw) Komt voort uit het verouderde werkwoord 'lellen' dat babbelen of kletsen betekent. De toevoeging 'bel' is mogelijk spontaan ontstaan. 

Linkmiegel
Lijpe, linke of sluwe kerel (20ste eeuw). Komt van linkmichel, of linke Michel. Michel is een persoonsnaam die ook werd gebruikt om iemand een 'sul' te noemen.

Loebas
Lomperd (19de – 20ste eeuw) Oorspronkelijk een term voor een grote hond. Vermoedelijk een klanknabootsend woord afkomstig van 'lobbes'. Het tweede deel is beïnvloed door de stam van 'bassen' dat blaffen betekent.

Patjakker
Schurk (19de eeuw) Vermoedelijk van 'badjakker' dat is ontleed aan het Javaanse badjag en Maleisische badjak en betekent zeerover.

Pezewever
Muggenzifter, iemand die zich met kleinigheden bezighoudt (begin 20ste eeuw) Komt van pezenweven wat mogelijk een technische term in weverijen was, of verwees naar het 'weven van pezen in plaats van draden': werk zonder nut.

Rapalje
Slecht volk (15de eeuw) Van rappaige dat samenraapsel van het volk betekent, of uitvaagsel (van het Oudfranse raspaille of het Engelse rascal)

Schobbejak
Schurk, schooier (17de eeuw) Herkomst is onduidelijk. Mogelijk ontleend aan Nederduitse 'swienjack', dat smeerlap betekent. Waarbij Jack een persoonsnaam is. Of aan Nederduitse 'schubjack', dat een wrijfpaal was voor vee in boomarme weigebieden.

Schavuit
Schurk of deugniet (13de eeuw) Schavuit betekent oorspronkelijk oehoe, een nachtvogel. Een schurk doet immers dingen die het daglicht niet kunnen verdragen.

Schelm
Deugniet (16de eeuw) Ontleend aan 'schelme', dat schurk of beul betekende. Komt mogelijk van 'scelmo', een term voor een ter dood veroordeelde.

Schorriemorrie
Uitschot (17de - 18de eeuw) Rijmt lekker en is mogelijk daardoor in zwang geraakt. De herkomst is onzeker. In het zogeheten Vroegnieuwhoogduits betekende 'Schory Mory' geslachtsgemeenschap.

Vlegel
Kwajongen (14de eeuw) Van het boerenwerktuig dorsvlegel, dat weer komt van het Latijn voor gesel. Iemand die de dorsvlegel (wellicht als wapen) gebruikte werd een vlegel genoemd.

Zemel/zemelaar
Iemand die zeurt (begin 20ste eeuw) Komt mogelijk van zemelen, wat sabbelen betekent en verwijst naar langzaam eten en drinken.

Bron: Etymologiebank/Woordenboek der Nederlandsche taal

Editie NL/ RTL Nieuws
`