Nora Neuteboom

Stagflatie is vooral iets uit het geschiedenisboek

28 oktober 2021 06:55

Het begon zo goed dit jaar toen de coronamaatregelen werden opgeheven. Veel sneller dan de meeste economen verwachtten gingen we weer met z'n allen naar de winkelstraat en horeca. De inhaalgroei in het tweede kwartaal van dit jaar was op z'n zachts gezegd spectaculair (ruim 6 procent kwartaal-op-kwartaal).

Door deze enorme (wereldwijde) inhaalgroei kampen leveranciers met tekorten. Deze waren met name zichtbaar in de stijgende grondstofprijzen en het tekort aan chips. Door het stilliggen van de wereldeconomie tijdens de coronapandemie en het plotseling heropstarten kwamen aanvoerlijnen in de knel. 

Miniatuurvoorbeeld
Lees ook:

Containers, personeel, chips: deze tekorten dreigen de economie te raken

En de meest recente ontwikkeling: de sterk gestegen gasprijzen. Wat leren we hiervan? De wereldeconomie is geen computer die je aan- en uitzet. Het is een complex systeem van onderlinge verbanden die niet te vatten zijn in een model en dat niemand echt helemaal begrijpt. Nu de meeste economieën in de wereld weer heropend zijn, lijken sommige van deze onderlinge verbanden niet zo soepel te lopen als gehoopt.

De bovenstaande problemen leiden tot hogere inflatie, in september kwam de inflatie in Nederland uit op 2,7 procent. En voordat je het weet is de term 'stagflatie' weer terug van weggeweest: een situatie waarin de inflatie hoog is, de economische groei vertraagt en de werkloosheid stijgt.

Een doemscenario, een herhaling van de crisis in de jaren 70. Destijds leidde een oliecrisis tot een sterke stijging van de inflatie. In combinatie met een vertraging van de economische groei en een stimulerend monetair beleid liep de inflatie en de werkloosheid verder op.

De vergelijking met de huidige situatie is als volgt: (1) de hogere energie- en grondstofkosten raken de consument in de portemonnee, met name door de hogere energierekening. (2) Maar ook indirect: de kosten voor bedrijven stijgen door hogere energie- en grondstofprijzen en dat berekenen ze door aan de consument. (3) Consumenten gaan minder besteden en dat remt de groei: oftewel stagflatie.

Alleen een hogere energierekening voor consumenten leidt niet tot structureel hogere inflatie boven de doelstelling van de centrale bank. Daarvoor is (2) ook nodig en het is nog maar de vraag in hoeverre bedrijven de kosten kunnen/willen doorberekening naar de consument (zie ook dit stuk van mijn collega).

Maar mochten ze dat inderdaad doen dan leidt dat tot hogere prijzen en remt dat de consumptie. Minder consumptie leidt natuurlijk ook tot minder inflatie (vanuit de vraagkant). En dat is precies waar dit alles mee begon: en enorm snelle opleving van de vraag door de heropening van de economie. En daarmee is het probleem praktisch opgelost.

Miniatuurvoorbeeld
Lees ook:

Krijgen we spijt van die gigantische schuldenberg?

Het gevaar bestaat alleen dat men gaat geloven dat hogere inflatie blijvend is. Dat leidt tot hogere lonen en bedrijven die de loonkosten weer verder doorberekenen in hun producten en diensten – en dan is inflatie structureel van aard. In combinatie met een afnemende groei kom je dan toch in het stagflatie-doemscenario uit.

We moeten alleen niet vergeten dat er in de jaren 70 veel meer aan de hand was dan alleen hogere inflatie door de oliecrisis. De goudstandaard werd losgelaten in Amerika (Nixon-schok), waardoor de waarde van de dollar in een paar jaar tijd halveerde. Bovendien was er destijds loonindexering. De lonen werden automatisch verhoogd bij een stijging van de inflatie, wat – natuurlijk per definitie – een loonprijsspiraal teweeg brengt. Op dit ogenblik zie je dat, ondanks de krappe arbeidsmarkt, er nauwelijks opwaartse druk is in de lonen.

Maar het belangrijkste verschil met de jaren 70: het monetaire beleid destijds was er niet op gericht om inflatie te bestrijden. Om de afnemende groei te bestrijden werd de geldpers juist aangezet.

Wij hebben nu een onafhankelijke centrale bank, die los van de politiek acteert. Bovendien heeft de centrale bank als belangrijkste doelstelling om de inflatie te bestrijden en zal deze ingrijpen bij het minst of geringste teken dat inflatie structureel boven de doelstelling van 2 procent komt.

De geloofwaardigheid van deze belofte is duidelijk terug te zien in de inflatieverwachtingen. De inflatieverwachting in de eurozone steeg weliswaar, maar bleef keurig hangen op de doelstelling van de centrale bank (2 procent). Dat is wellicht wat hoger dan het langjarig gemiddelde voor de coronacrisis, maar niet geheel opvallend gegeven dat de daadwerkelijk inflatie in september dit jaar (3,4 procent) ver boven het historisch gemiddelde van afgelopen jaren zat.

Nog voordat er een structurele hogere inflatie ontstaat grijpen centrale banken dus in. Natuurlijk, een verhoging van de rente zal ook een schok teweeg brengen in ons economische systeem (daar heb ik al eerder over geschreven), maar daarmee is het stagflatie-scenario wel van tafel.