Leo Lucassen

Waarom de nieuwe PvdA-leider een andere koers moet varen dan Asscher

18 januari 2021 07:13

Toen afgelopen donderdag bekend werd dat Lodewijk Asscher terugtrad als partijleider en daarmee als kandidaat lijsttrekker, begon het grote speculeren over wie hem zou moeten opvolgen.

Minstens zo belangrijk lijkt mij echter de vraag wie het partijprogramma, waarin veel aandacht voor sociale ongelijkheid en discriminatie, het meest overtuigend en principieel kan uitventen. En daarmee geloofwaardig is om af te rekenen met de derde weg die de partij lange tijd heeft aangehangen. Met als resultaat dat de sociaaldemocraten veel te lang als bijzettafel van een rechts neoliberaal beleid hebben gefungeerd.

Bovendien, het verkiezingsprogramma volgend, zou het iemand moeten zijn die kan uitleggen waarom de strijd tegen discriminatie niets te maken heeft met (linkse) identiteitspolitiek, maar een noodzakelijk onderdeel is van de wens om een eerlijker samenleving te creëren.

En daar heeft het de afgelopen decennia nogal eens aan ontbroken. Bevangen door de angst voor het populisme, dat met Fortuyn voor het eerst ferm de kop op stak, kon menig PvdA-politicus de verleiding om iets flinks over immigranten of allochtonen te roepen niet weerstaan.

De voorbeelden zijn bekend. Van de 'kutmarokkanen' van Oudkerk in 2002 tot het alarmistische 'Code Oranje'-opiniestuk tegen het openen van de Europese binnengrenzen voor Roemenen en Bulgaren door Asscher en de cultureel-conservatieve Britse journalist David Goodhart uit augustus 2013.

En nog in het najaar van 2019 bleek Asscher in een Amsterdams zaaltje vol kritische partijgenoten niet helemaal afkerig van de strenge aanpak van migranten, zoals voorgestaan door zijn Deense evenknie Mette Frederiksen. In Denemarken kwamen ze zelfs met een 'gettoplan', dat autoriteiten de mogelijkheid geeft bewoners aldaar (hoofdzakelijk migranten) strenger te straffen en mensen te dwingen te verhuizen om de bevolking meer te mengen.

Miniatuurvoorbeeld
Lees ook:

Wat als de rellende Urkse jongeren een Turkse achtergrond hadden gehad?

Voor zover de Deense socialisten hun traditionele kiezers weer terug hebben weten te lokken, was de prijs daarvoor hoog: namelijk het met huid en haar overnemen van de extreme-rechtse anti-immigratiekoers. Bovendien wonnen andere linkse partijen, zoals de Groenen en de Sociaal Liberalen juist stemmen met een principiële campagne tégen vreemdelingenhaat.

Nog afgezien van de kwestie of een etnocentrisch anti-immigratie-programma past binnen het socialistische ideaal, is het zeer de vraag of de strategie om lager opgeleide kiezers, zeg maar de witte arbeidersklasse, weer voor zich te winnen, op de langere termijn wel verstandig is. Hoewel experimenteel onderzoek suggereert dat sociaaldemocraten met een anti-migratie agenda kiezers bij rechts weg kunnen lokken, verliezen ze degenen die zich hier niet in kunnen vinden. Een probleem dat ook bij de SP speelt.

Bovendien, zoals politiek wetenschapper Cas Mudde heeft laten zien, vergeten veel mensen dat de traditionele achterban van partijen als de PvdA al decennialang afbrokkelt, naar verhouding sowieso kleiner wordt, en dus niet kan worden verklaard door de veel recentere successen van rechtse populisten. En rechts-radicale partijen (en dat geldt ook voor Trump) putten maar zeer ten dele uit dezelfde vijver als links. 

Het grootste probleem is echter dat meegaan in het anti-migratiedenken uiteindelijk het rechtspopulistische frame legitimeert dat alle sociale problemen te wijten zijn aan nieuwkomers. En dan met name degenen uit het 'niet-Westen', een even vage als stigmatiserende term. Zo stralen politici ter linkerzijde die de 'terugwin-strategie' aanhangen uit dat rechtse populisten eigenlijk wel gelijk hebben, maar dat hun oplossing veel te radicaal is.

Dat beeld wordt nog versterkt door er (impliciet) vanuit te gaan dat die lager opgeleide arbeidersachterban wit is. Daardoor worden Nederlanders met een migratieachtergrond buitenspel gezet, want zij behoren blijkbaar niet tot de kring van de gedroomde (bezorgde) burger. Terwijl het evenzeer mensen zijn die hun brood verdienen in slachthuizen, verdeelcentra, supermarkten, in kinderopvangcentra, het onderwijs, beveiligingsbedrijven, de politie en de bouw.

Dat betekent niet dat de PvdA, en links meer algemeen, voor open grenzen moeten zijn (daar is vrijwel niemand voor en is sinds 1914 ook nooit aan de orde geweest), maar wel dat degenen die hier wonen en werken erbij horen en gelijk behandeld moeten worden. En laat dit, samen met het terugdringen van sociale ongelijkheid, nu de kern van het nieuwe PvdA-verkiezingsprogramma zijn.

Als de nieuwe partijleider die boodschap overtuigend wil uitdragen, dan moet hij of zij niet alleen breken met het neoliberale programma dat de partij sinds de jaren negentig heeft gesteund, maar ook een bewuste inclusieve koers varen. En dat is geen 'regressief linkse identiteitspolitiek', maar ouderwetse solidariteit met burgers in de knel, ongeacht hun herkomst, en de erkenning dat Nederland door zijn ligging en economie een migratiesamenleving is.