Leo Lucassen

Wat als de rellende Urkse jongeren een Turkse achtergrond hadden gehad?

04 januari 2021 07:05

De afgelopen jaarwisseling en de dagen die eraan vooraf gingen maakten weer eens duidelijk hoezeer er met twee maten wordt gemeten. Zo keurden velen het geweld en de vernielzucht van rellende jongeren in Urk, Staphorst, Veen tegen politie en hulpverleners weliswaar af, maar werd de verklaring vooral gezocht in een eeuwenlange 'traditie' van losbandigheid en ritueel verzet tegen autoriteiten. Kortom 'onze' volksaard.

Als dergelijke taferelen zich de afgelopen weken hadden voorgedaan in wijken waar veel Nederlanders met een migratieachtergrond wonen, dan was de pleuris uitgebroken. Niet op straat, maar in de media. De kranten en talkshows hadden bol gestaan van bespiegelingen over de mislukte integratie van met name Turkse en Marokkaanse Nederlanders met hun etniciteit en religie als verklaring.

Zo niet in Duindorp waar op oudejaarsdag honderden inwoners de coronamaatregelen overtraden en op het Tesselseplein feest vierden, aangevoerd door 'een zanger op straat die met Nederlandstalige muziek à la Tino Martin voor een gezellig sfeer zorgt', aldus het AD.

Op de sociale media overheerste weliswaar de afkeuring, maar in de berichtgeving domineerde het beeld van een gezellig buurtfeest voor jong en oud in een sociaal hechte buurt. Nu zal dat laatste vast zo zijn, maar - nogmaals - stel je de heisa even voor als een dergelijk straatfeest zich vijf kilometer zuidoostwaarts, in de Schildersbuurt, had voorgedaan?  

Deze voorbeelden laten niet alleen zien dat we hele andere eisen stellen aan nieuwkomers, maar ook hoezeer ons denken doordrenkt is geraakt van wat de Afrikanist Peter Geschiere 'autochtoniteit' noemt. Daarmee bedoelt hij een groepsdenken gebaseerd op een vermeende etnische identiteit die anderen uitsluit en dat in de afgelopen twintig jaar zowel in Europa, Amerika, Afrika als Azië de kop opsteekt.

Miniatuurvoorbeeld
Lees ook:

Nee, rellen in Schilderswijk zijn geen 'cultureel probleem'

Die fixatie op etniciteit blijkt wereldwijd een bron van uitsluiting en racisme. Het maakt dat we uit het oog verliezen dat er veel meer is dat autochtonen en nieuwkomers bindt dan scheidt. Herkomst is immers slechts een van de vele identiteiten, en vaak niet de belangrijkste, zoals de in Nijmegen geboren antropoloog Sinan Çankaya kristalhelder uitlegt in zijn voortreffelijke boek Mijn ontelbare identiteiten.

Dat we herkomst zo relevant vinden bij de beoordeling van mensen, kan uiteraard niet los worden gezien van de naoorlogse immigratie en het koloniale verleden. Maar problematischer is dat politici en media de tegenstelling tussen 'wij', de 'echte' (witte) Nederlanders, en 'zij', de nieuwkomers en hun nakomelingen, voortdurend nieuw leven inblazen.

Dat geldt bij uitstek voor rechts-populistische partijen. Het begon al in de jaren zeventig met Joop Glimmerveen en even later Hans Janmaat, die streefden naar een etnisch homogeen (‘blank’) Nederland. En vanaf de jaren negentig kreeg dat denken een veel bredere en diepere bedding met de opkomst van Fortuyn en Wilders.

In zekere zin is deze etnische identiteitspolitiek oude wijn in nieuwe zakken, waarbij de stigmatisering van (autochtone) armen zich heeft verplaatst naar de migrant. Want het is niet zo heel erg lang geleden dat de eigen armen het belangrijkste maatschappelijke probleem vormden. Tot na de oorlog was 'de sociale kwestie' geheel van eigen makelij.

Excessen en afwijkend gedrag in volkswijken zoals Duindorp golden als uitdrukking van pauperdom en onmaatschapelijkheid. En overheden in grote steden deden hun uiterste best deze 'asocialen' te heropvoeden, in aparte wijkjes onder begeleiding van maatschappelijk werkers of in aparte kampen in het Noorden van het land, zoals in de jaren vijftig.

Hoewel het neerkijken op (witte) mensen met een lagere opleiding of inkomen zeker niet verdwenen is - denk aan de term 'tokkies' - is etniciteit in het publieke debat een veel belangrijker scheidslijn geworden. Met institutioneel racisme, zoals in de toeslagenaffaire, en etnisch profileren als de meest pregnante negatieve gevolgen. Maar de schade voor de samenleving beperkt zich niet tot de discriminatie van nieuwe Nederlanders. Het staat namelijk ook de bestrijding van het veel bredere probleem van sociale ongelijkheid in de weg.

Als politici écht een rechtvaardiger en inclusieve samenleving nastreven, dan moeten mainstream partijen, de VVD voorop, breken met de populistische identiteitspolitiek en de daaruit voortvloeiende zondebokstrategie.

Het symbolisch op het schild hijsen van de witte Nederlanders die het minder getroffen hebben, het handelsmerk van Wilders en Baudet, mag hen de illusie geven er etnisch bij te horen, maar voedt uiteindelijk alleen maar hun rancune en doet niets aan hun echte problemen.