Leo Lucassen

Institutioneel racisme holt Amerikaans credo van gelijke kansen steeds verder uit

31 augustus 2020 06:09

In 1937 besloot de Carnegie Corporation in New York een onafhankelijke buitenstaander te vragen om een oplossing te vinden voor het 'Negro problem'. Daarmee bedoelden ze de achterstelling en de discriminatie van de zwarte bevolkingsgroep in de Verenigde Staten.

Na rijp beraad besloten zij de betrekkelijk jonge toonaangevende Zweedse econoom en sociaaldemocraat Gunnar Myrdal te vragen deze taak op zich te nemen. Vijf jaar later lag er een vuistdik manuscript van bijna 1500 bladzijden dat in 1944 verscheen onder de titel An American Dilemma. The negro problem and modern democracy.

Deze zeer invloedrijke studie, die alle kennis tot op dat moment samenvatte, was optimistisch van toon. Als de federale regering ècht werk zou maken van desegregatie en via wetgeving gelijke behandeling van zwarte Amerikanen afdwingen, dan zou het 'Amerikaanse dilemma', spoedig verleden tijd zijn. Met dat dilemma doelde Myrdal op de tegenstelling tussen het Amerikaanse credo van vrijheid en gelijke kansen enerzijds en systematische discriminatie van een deel van de bevolking anderzijds.

De latere nobelprijs-winnaar beschouwde de uitsluiting en discriminatie van zwarte Amerikanen als een morele achterstand in de ontwikkeling van de Amerikaanse natie. Hij was vooral geïntrigeerd door de manier waarop veel blanke Amerikanen hun vooroordelen rechtvaardigden, ook al lieten de feiten zien dat die ideeën niet klopten. Hij volgde hier de befaamde sociologische stelling van William Thomas, die stelt dat als mensen situaties als 'echt' definiëren, zij daar ook naar zullen handelen. Het echte probleem, aldus Myrdal, zijn dan ook de racistische ideeën van de blanke meerderheid.

Een hedendaags voorbeeld is het politiegeweld in de Verenigde Staten waar de Black Lives Matter beweging zich tegen keert. Veel witte politiemensen zijn ervan overtuigd dat zwarte mannen crimineel zijn en een gevaar vormen. Zij handelen daar vervolgens naar door zelfs ongewapende burgers zonder pardon neer te schieten. Een praktijk waarbij sinds 2013 meer dan 350 ongewapende zwarte mannen de dood vonden. De daders zijn met name witte politieagenten die nauwelijks tot de orde worden geroepen en die in vergelijkbare situaties vijf keer zo vaak hun vuurwapen gebruiken als hun zwarte collega’s. En ook al daalt de trend sinds 2015, deze extreme incidenten zijn slechts een topje van de institutioneel racistische ijsberg.

Behalve politiegeweld spreken ook de cijfers over de arbeidsmarkt boekdelen. Er mag in de afgelopen halve eeuw dan een zwarte middenklasse zijn ontstaan, de meeste Afro-Amerikanen moeten aanzienlijk hogere barrières overwinnen om aan het werk te komen dan hun witte medeburgers. En het gebrek aan welvaart maakt het voor hen bovendien veel moeilijker om in de toekomst van hun kinderen te investeren. Deels is dit het gevolg van openlijk racisme, maar belangrijker is de systematisch discriminatie met gettovorming en discriminatie op de arbeidsmarkt als gevolg.

De ontwikkelingen na de oorlog leken de optimistische Myrdal gelijk te geven. De Civil Rights Movement die op stoom kwam met de 'Montgomery bus boycott' in 1955 en de marsen onder leiding van Martin Luther King leidde stap voor stap tot de wettelijke afschaffing van de segregatie. Bovendien leek het 'Great Society' programma van president Lyndon B. Johnson, gericht op het opheffen  van de achterstanden van met name de Afro-Amerikanen, een nieuwe fase in te luiden. Al vanaf de jaren zeventig werd echter duidelijk dat deze initiatieven vastliepen in een moeras van diepgeworteld racisme, dat zich niet zo eenvoudig door wetgeving en beleid liet droogleggen.

Dat diepgewortelde racisme heeft zich in de afgelopen halve eeuw in een nieuw gewaad gehuld. Zo menen veel conservatieve witte Amerikanen dat Afro-Amerikanen de belangrijkste Amerikaanse waarden, zoals discipline en werkethos, helemaal niet delen. Wat zou worden aangetoond door het recente geweld en plunderingen waar sommige Black Lives Matter demonstraties mee gepaard gaan.

Als Myrdal (gestorven in 1987) nog zou leven, zou hij erop wijzen dat dit een klassiek voorbeeld is van 'blaming the victim'. Oftewel een goedkoop excuus om de eigen vooroordelen en het structurele maatschappelijke racisme niet onder ogen te hoeven zien. Maar hij zou misschien ook concluderen dat veel witte Amerikanen helemaal geen dilemma ervaren en het inclusieve Amerikaanse credo uit de jaren zestig in de afgelopen halve eeuw steeds verder is uitgehold, niet in het minst onder het polariserende presidentschap van Donald Trump.

Leo Lucassen is hoogleraar arbeids- en migratiegeschiedenis en Directeur van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis.