Roderick Veelo

Politieke minachting maakt meer kapot dan je lief is

20 februari 2020 06:30

Mijn vader was luchtverkeersleider en bewaarde al het nieuws over de Nederlandse luchtvaart. In zijn knipselmap vond ik deze week het verslag van het vliegtuigongeluk bij Moerdijk. Op 6 oktober 1981 stortte daar een Fokker F28 van de Nederlandse Luchtvaart Maatschappij neer. Alle 17 passagiers en 4 bemanningsleden kwamen om. Een onweersbui kreeg de schuld.

Het ongeluk was vrijwel zeker niet gebeurd als de Rotterdamse luchthaven Zestienhoven (nu Rotterdam The Hague Airport) toen - net als Schiphol - radar had gehad. Op de tweede commerciële luchthaven van het land moesten de verkeersleiders het tot diep in de jaren tachtig doen met uitsluitend radiocontact en het vrije zicht vanuit de toren.

Boven Rotterdam werd het almaar drukker. Het aantal onveilige situaties nam toe en de luchtverkeersleiding drong er al jaren bij de minister van Verkeer en Waterstaat op aan de luchthaven uit te rusten met radar. Daarmee hadden de verkeersleiders de Fokker F28 om het onweer heen kunnen begeleiden en zou ál het vliegverkeer rond Zestienhoven aanzienlijk veiliger worden.

De waarschuwingen van de experts kwamen in Den Haag aan bij dovemansoren. Tweede Kamerleden en opeenvolgende ministers meenden dat de technische nood ‘niet urgent genoeg’ was. En er speelde nog iets: de kosten van het radarsysteem waren 5 miljoen gulden. Hoe dan ook, de minister wist het beter.

Bescheidenheid is een lastige eigenschap in de politiek, maar oogkleppen en arrogantie leiden niet zelden tot ongelukken. Rampen soms.

Dat was zeker het geval bij de verwaarlozing van de Zeeuwse en Zuidhollandse dijken in aanloop naar de watersnoodramp van 1953. Gewaarschuwd werd er, maar politiek Den Haag had andere zaken aan z’n hoofd.

Zelfs uren voor de eerste dijkdoorbraak kon het alarm van het KNMI over de vliegende storm en het hoge water de politieke beslissers niet uit hun slaap krijgen.

Onze geschiedenis ligt bezaaid met missers en drama’s wegens het wegwuiven of negeren van het evidente. Een blinde vlek die zich natuurlijk niet beperkt tot bestuurders en politici, alleen reiken de gevolgen van hun minachting verder dan de onze.

In het debat over de energietransitie zien we opnieuw ministers, kamerleden en lokale bestuurders het vanzelfsprekende ontwijken.

Het gemeentebestuur van Amsterdam maakte vorige week bekend dat over 10 jaar 80 procent van de energievraag van huishoudens in de hoofdstad wordt voldaan door zon- en windstroom van Amsterdamse bodem.

Daartoe moeten op alle daken zonnepanelen worden geplaatst en zoekt het bestuur nog locaties voor 35 windmolens. Dit moet de weg worden naar een gasvrije hoofdstad in 2040.

Er zal vast een zonnige en winderige dag zijn waarop al die panelen en molens gedurende een dagdeel 80 procent van de stroom kunnen leveren. Maar het evidente dat hier ter zijde wordt geschoven is dat zon en wind onbetrouwbare leveranciers van energie zijn. Daar kan nog niet één huishouden van op aan.

Tenzij u genoegen neemt met het uitvallen van uw koelkast, televisie, licht en warmtepomp als de zon is onder gegaan en de wind is gaan liggen. 

Wat ook genegeerd wordt is dat de energievraag aanzienlijk zal stijgen. Niet alleen omdat het aantal huishoudens in Nederland blijft groeien, maar juist ook omdat we alles elektrisch gaan doen. Van koken en verwarming tot auto’s.

Eén elektrische auto aan een laadpaal slurpt evenveel stroom als tien huishoudens. Als er in een straat 10 auto’s staan op te laden krijgt de stroomvoorziening er opeens 100 huishoudens erbij.

Om te voorkomen dat de stad op zwart gaat leveren de laadpalen in Amsterdam nu al tussen 18.00 en 21.00 uur minder stroom.

De capaciteit van het netwerk moet dus enorm omhoog. Dat is een investering van miljarden euro’s. Alle straten moeten open voor dikkere kabels. Om in 2030 te komen tot 1,7 miljoen laadpalen moeten er per dag 400 laadpalen bij.

En al die laadpalen moeten 's avonds en 's nachts wel genoeg stroom leveren, want de volgende dag moeten we weer naar ons werk. Wind of geen wind.

Nog een laatste minachting voor het evidente. Naast zon en wind steunt het Nederlandse klimaatakkoord vooral op biomassa. Afhankelijk van de grootte van de centrale levert het verstoken van hout 5 tot 20 procent meer CO2, fijnstof en stikstof op dan een kolencentrale. De kolencentrales gaan dicht.

Vergeleken met een gascentrale is biomassa dubbel zo smerig. Maar huishoudens moeten van het gas af en krijgen er stroom van een biomassacentrale voor terug. Daar komt bij dat we bossen opstoken, die ons als geen ander kunnen helpen om CO2 uit de lucht te halen.

Dit alles wordt door het kabinet en iedereen die zich committeert aan het klimaatakkoord van tafel geveegd met 11,4 miljard euro subsidie voor biomassa.

Deze missers en dwalingen worden herhaaldelijk benoemd en uitgelegd door experts die ver afstaan van de politieke arena, zoals energiehoogleraar David Smeulders. Zij doen zonder politieke agenda of irrationeel geloven nuchter onderzoek naar wat werkt bij het verduurzamen van een moderne samenleving en wat niet.

Bestuurders en politici negeren de bevindingen, omdat ze hen niet uitkomen in hun ambities. Zo doet Amsterdam alsof zon en wind gas zullen gaan vervangen. En serveerde GroenLinks Tweede Kamerlid Tom van der Lee het onderzoek van Smeulders vorige week nog af als ‘indianenverhalen’. Van der Lee en consorten weten het beter.

Het is weerzinwekkend om te zien hoe politiek opportunisme en minachting voor voldongen feiten de weg bereiden voor grote ongelukken in de samenleving.