Roderick Veelo

Identiteitspolitiek maakt alles kapot, nu zijn de kunsten aan de beurt

06 augustus 2020 06:25

Het Fonds Podiumkunsten maakte maandag bekend wie er de komende vier jaar wel in aanmerking komen voor subsidie en wie niet. Deze keer kwamen de afwijzingen extra hard aan, omdat er vanwege corona al geen droog brood op een podium te verdienen is.

Toch zit de meeste ergernis bij de verliezers niet in de misgelopen financiën, maar in de nieuwe criteria om voor het geld in aanmerking te komen. Van de 149 gezelschappen met een positieve beoordeling kwamen er maar 78 door de subsidieselectie. De rest en alle andere gezelschappen voldeden niet of in onvoldoende mate aan de richtlijnen van de Raad voor Cultuur.

Die Raad houdt zich anders dan andere jaren strak aan de code diversiteit & inclusie. Deze code vraagt van instellingen en kunstenaars een zichtbare betrokkenheid bij de overtuiging dat mensen van elkaar verschillen op basis van huidskleur, afkomst en gender.

Die verschillen dienen eerst benadrukt en dan gevierd te worden. Dat streven staat bekend als identiteitspolitiek en vormt de basis voor de code diversiteit & inclusie van de Raad voor Cultuur.

Dat mensen buiten huidskleur, afkomst en gender om, ook eindeloos van elkaar kunnen verschillen - zoals in individuele kwaliteiten, talent of anderszins - telt niet mee in deze code.

Voorwaarde voor subsidie is omarming van de identiteitspolitiek. En dat moet zichtbaar zijn in de organisatie en in de kunst die geproduceerd of aangekocht wordt.

De minister - maar ook lokale overheden en subsidieverdelers zoals het Fonds Podiumkunsten - handelen nu volgens dit criterium en ambiëren daarmee invloed op de collectie van musea, op de verhalenkeuze van toneelgezelschappen, op de muziekkeuze van orkesten en op wat kunstenaars maken.

De opdracht voor de kunstwereld is duidelijk: doe aan diversiteit en inclusie zoals de Raad voor Cultuur het wil. Let op huidskleur, afkomst en gender.

Zoveel overheidsinvloed op de kunsten, dat is lang geleden.

Het was de liberale staatsman Johan Rudolph Thorbecke die op 26 november 1863 de Tweede Kamer voorhield: "Kunst is geen regeringszaak, in zoverre de regering geen oordeel, noch enig gezag heeft op het gebied van de kunsten."

Daarmee bedoelde Thorbecke niet dat de overheid de kunsten geen financiële ondersteuning zou mogen bieden. Die was er in zijn tijd wel degelijk, zij het in bescheiden mate. Waar het hem om ging was het principe, dat de staat geen waardeoordelen over kunst behoort te geven.

Kunst was een zaak van kunstenaars. Zoals wetenschap het terrein van wetenschappers was. Daar had een oordelende overheid niets te zoeken.

Thorbecke had het gevaar van een oordelende overheid goed op zijn netvlies. Schilderijen, beelden, paleizen genoeg die tot meerdere eer en glorie - en in opdracht - van koningen en keizers tot stand waren gekomen.

Die tijd lag achter ons, zal de grote hervormer zich hebben voorgenomen. Hij zat er naast.

Het principe van Thorbecke hield stand tot 25 november 1941. Op die dag werd in opdracht van de Duitse bezetter de Nederlandse Kultuurkamer ingesteld. De nationaalsocialisten vonden dat kunst wel degelijk door de overheid gestuurd mocht worden. En hoe.

Het werk moest in dienst staan van de nationaalsocialistische ideologie. Oftewel een dwangbuis van nationalisme, romantisch realisme en geen muziekuitvoeringen van joodse componisten en geen zwarte Amerikaanse muziek.

De naoorlogse kabinetten hebben cultuurbevordering als overheidstaak voortgezet. Uiteraard niet met de doelstellingen van de Kultuurkamer.

De overheidssteun voor de culturele sector groeide, maar van politieke bemoeienis met de artistieke inhoud en de organisatie is het niet meer gekomen. Tot nu.

Fluitiste Lucie Horsch zei het op 7 juni de minister recht in d'r gezicht: "Zodra diversiteit een doel op zich wordt is het gevolg juist een heel eenzijdig cultureel leven. Als er alleen nog maar diverse kunst mag bestaan, dan is het resultaat juist niet die diversiteit waar zo krampachtig naar gestreefd wordt."

De individuele kunstenaar in de greep van een dogmatische overheid, die dicteert waar zijn werk over dient te gaan. Als de kunstfotograaf witte modellen gebruikt loopt hij de kans op subsidie mis. Maar kiest hij voor zwarte modellen dan maakt hij wel een kans.

Identiteitspolitiek maakt alles kapot, nu zijn de kunsten aan de beurt.