Ga naar de inhoud
Hans Stegeman

Waarom 'vervuiling duurder maken' niet leidt tot een circulaire economie

Als de overheid vervuiling duurder maakt, gaan we sneller richting een circulaire economie, schreef het Centraal Planbureau (CPB) onlangs. 

Het beprijzen van milieuschade is natuurlijk al een heel oud idee. Maar als de oplossing zo simpel is, waarom gebeurt het dan nog niet?

Volgens mij is dit idee van het CPB gebaseerd op een aantal simplificeringen en misvattingen. Allereerst is beprijzing in veel gevallen nagenoeg onmogelijk. Daar komt bij dat het bij lange na niet het enige lastige facet van de circulaire economie is.

En ten slotte, geheel in tegenstelling tot het lineaire economisch denken: de natuur vraagt om een gezonde dosis verspilling en zorgt tegelijkertijd voor een natuurlijke grens van economische activiteit.

Dus prima, dat beprijzen, maar laten we vooral niet denken dat onze economie daarmee duurzaam geworden is.

Een lineaire oplossing voor een circulaire economie

In de literatuur over de circulaire economie gaat het vaak over de 'lineaire' economie. Nu wist ik, als econoom, tot voor kort niet dat ik lineair dacht. Wat daar mee wordt bedoeld is dat we materialen en grondstoffen meestal ‘lineair’ behandelen: we nemen materialen en grondstoffen van de natuur, maken er een product van of verbruiken het, gebruiken het en gooien het weg.

In het Engels: take, make, use, dispose.

Onze markteconomie is gebaseerd op dergelijk lineair handelen. Maar, zoals het CPB zegt, die markten werken nu nog niet efficiënt, want schaarste van materialen wordt niet goed geprijsd en het veroorzaken van afval en CO2-uitstoot kost al helemaal niets.

Als we dit dus goed regelen, aldus het CPB, zullen deze 'externaliteiten' vanzelf minder worden. Want als fossiele grondstoffen duurder worden, zal er zorgvuldiger mee worden omgesprongen en zullen duurzamer alternatieven aantrekkelijker worden. Als niet-duurzame producten duurder worden, zullen consumenten ze langer gebruiken, of overschakelen op duurzamere alternatieven.

En zo is beprijzen het wondermiddel dat zorgt voor verduurzaming van de economie. CE-Delft heeft meer dan 1000 van dit soort 'juiste' prijzen berekend. Nog zo'n rekensommetje: het PBL heeft recent uitgerekend dat de milieuschade jaarlijks ongeveer 31 miljard is in Nederland. Ofwel iets meer dan 1800 euro per persoon.

De lineaire beperkingen van de circulaire economie

Deze beprijzingsbenadering gaat uit van een aantal veronderstellingen. Dat markten werken, prijsprikkels alles oplossen en dat een circulaire economie slechts om beperkte aanpassingen vraagt. Ik waag ze allemaal te betwijfelen.

Ten eerste is beprijzen in de praktijk zeer ingewikkeld. Zo komt het PBL dan wel uit op een gemiddelde schade van 31 miljard, maar met een bandbreedte tussen de 16 en 49 miljard. Of anders gezegd: we denken dat het 1800 euro per persoon kost, maar het kan net zo goed 900 of 2800 euro zijn.

Dat is lastig als marktprijs te hanteren. Dat gaat de markt echt niet zomaar oplossen. Sterker nog: we merken dat bedrijven het beprijzen van milieuschade met veel succes weten tegen te houden.

Ten tweede is de beprijzingsoplossing het toonbeeld van een tekentafelbenadering. Vergeten wordt dat circulaire markten vaak helemaal niets kùnnen oplossen, omdat er (nog) helemaal geen markt is, of zodanig beperkt dat er geen goede prijzen ontstaan.

Het circulair maken van materiaalstromen is een ingewikkeld organisatorisch vraagstuk. Bij een transitie naar een circulaire economie leidt dat tot zeer grote uitdagingen, omdat het niet gaat om de maximalisatie van de waarde bij een markttransactie, maar om het waardebehoud van grondstoffen en producten.

Een voorbeeld. De circulaire economie vraagt om de ontwikkeling van 'secundaire markten': van markten voor gebruikte spullen, hernieuwbare materialen, et cetera. In de beginfase zijn er op nieuwe markten meestal weinig vragers en aanbieders. Die zijn dan sterk van elkaar afhankelijk. Dit maakt de potentie van zulke markten erg onzeker. Kortom: alleen beprijzen biedt hier geen oplossing.

Ten derde vraagt een overgang naar een circulaire economie ook om een mentaliteitsverandering. Het CPB geeft dat in een ander rapport ook zelf aan. Gedragseconomische factoren spelen een belangrijke rol. Consumenten zijn niet gericht op het maximaliseren van waardebehoud. Ze willen gewoon af en toe wat nieuws. En tweedehands is nu eenmaal lang niet zo aantrekkelijk als nieuw.

De circulaire uitdagingen voor de circulaire economie

Dit alles was nog het denken binnen het standaard-economenparadigma. Daarbij staan efficiënt werkende markten voorop. Maar nu gaan we een stapje verder. Bij een circulaire economie gaat het erom binnen de grenzen van de natuur te opereren. Vaak wordt daarom ook de vergelijking gemaakt met natuurlijke processen, met als basis de natuurlijke kringloop. En dan doemen er twee problemen op.

Ten eerste de efficiëntie. Als we ons alleen maar concentreren op efficiënte markten, dan zorgt dat ervoor dat vernieuwing beperkt blijft en daarmee ook de veerkracht van het systeem. Natuurlijke processen verlopen met veel verspilling. Van alle zaadjes komen er slechts een beperkt aantal uit. Bomen verliezen hun bladeren en vele dieren gaan dood in natuurlijke selectie.

De natuur bestaat bij de gratie van afval als voedingsstof voor andere kringlopen. Heel effectief, maar niet efficiënt. Een systeem geheel gericht op efficiency mist juist die voedingsstof voor andere kringlopen en daardoor veerkracht.

Wat daar mee samenhangt is dat verspilling ook voedingsbodem kan zijn voor een transitie. Al die elektrische fietsen die nu in Nederland rondrijden hebben vooralsnog weinig te maken met duurzaamheid, omdat het vooral oudere mensen zijn die erop rijden, in plaats van op een gewone fiets.

Tegelijkertijd wordt echter wel een markt opgebouwd, waardoor fabrikanten kunnen investeren in het verbeteren van accu's. Op termijn levert dit modellen op die geschikt zijn voor woon-werkverkeer en daarom een alternatief voor de auto vormen. Deze ontwikkeling is niet efficiënt, maar wel effectief.

Het tweede 'lastige pakket' is de natuurlijke grens. Het belangrijkste dat we van de natuur kunnen leren, is dat er een natuurlijke grens is en dat de natuur regeneratief is en zichzelf kan aanpassen. Een economisch, efficiënt systeem doet dat helaas niet vanzelf. Ook niet met de juiste prijzen. Die natuurlijke grens betekent dat we minder moeten consumeren en de schaal van ons totale systeem zullen moeten aanpassen.

Maar zover zijn we nog lang niet. En wellicht moeten we blij zijn met die roep om beprijzing. Dat is in ieder geval een begin.