Jeroen Akkermans

Jörg, de schreeuwer onder de brug

27 december 2021 06:14

"Wie? Zeg me het me nu! Wie?"

Een mij bekende stem van buiten dreunt door tot in ons kantoor. Ergens tussen vijf en zeven schreeuwt Jörg vijf minuten achtereen met het volume van een opstijgend vliegtuig. Er klinkt woede en frustratie door in de brei van woorden.

Hij zit sinds anderhalf jaar bij ons om de hoek onder de brug voor zich uit te turen, meestal in een kleermakerszit op een dun kleedje. Naast hem ligt een grote plunjezak, die dient als een ongemakkelijk hoofdkussen. Soms ga ik even langs met koffie. Tijdens het koffiepraatje slaat zijn bulderende stem om in een zachtaardige, bijna fluisterende toon. "Lekker. Heb je er wel heel veel suiker ingedaan?"

In Berlijn wonen naar schatting 5.000 zwervers. Het aantal is een gok. Er is vorig jaar een poging gedaan om het aantal daklozen eindelijk in kaart te brengen. Vrijwilligers zijn door de hele stad op zoek gegaan naar mensen zoals jij en ik maar zonder een dak boven het hoofd.

Ze zijn uitgekomen op slechts de helft, met het vermoeden dat daklozen zich hebben verstopt tijdens de aangekondigde teloperatie uit vrees, letterlijk en figuurlijk, in een hokje te worden gestopt. Met statistieken schiet je niet veel op bij deze groep mensen.

Jörg heeft een baard zo dik en stevig waar de kerstman jaloers van wordt. Vriendelijke ogen huizen in een rood, pafferig gezicht. Dikke vingers, straffe roker, alcoholist. Ik schat hem op een jaar of 60. Jörg vertelt dat hij een voormalige mijnwerker is uit de mijnstreek, grenzend aan Nederland. "Daar heb ik nu nog steeds pensioen van."

Hij is later naar West-Berlijn verhuisd om zo de dienstplicht te ontlopen. Met de ontheffing hoopte de ommuurde westelijke exclave op honderden kilometers van West-Duitsland, jongens te lokken naar de stad die schreeuwde om verjonging. Jörg is gebleven. Als ik zijn warrige verhaal even niet kan volgen begint hij weer te spuwen. "Dat zeg ik toch! Luister! Luister!" Hij blaast me bijna omver. De kou is bijna niet te harden, maar die schijnt Jörg niet te deren. Weer op fluistertoon: "Ik heb een hele goede slaapzak."

"Als rondreizende inwoner van Berlijn heb ik het gevoel dat er steeds meer daklozen bijkomen."

Op de statistieken is dus geen peil te trekken, maar als rondreizende inwoner van Berlijn heb ik het gevoel dat er steeds meer daklozen bijkomen. Onder de stations Friedrichstrasse en Charlottenburg bijvoorbeeld klonteren steeds meer zwervers samen tussen matrassen, tassen en zelfs boekenkastjes. Een vrouw met leesbril ligt onder een berg dekens op een dikke matras te lezen in 'Mein Name sei Gantenbein' van Max Frisch, onverstoorbaar als is het haar eigen slaapkamer.

Naast de matras staat een thermoskan. Ze heeft net een kopje ingeschonken, er stijgt damp uit. Ik loop door onder de spoorbrug langs lege matrassen en negeer het bordje van haar buurman. "Alstublieft. Help mij met een cent, zoveel als je hart toelaat. Good bless you. Ik heb kinderen". Om de hoek doet een plantsoentje dienst als openbaar toilet. Een vrouw met een blauw geslagen oog trekt net haar broek op. Haar bovengebit ontbreekt.

Elke avond rijden drie bussen kriskras door de stad. Ze delen thee, koffie en warme maaltijden uit. Zwervers die dat willen, worden naar een warm onderkomen gebracht, voor zo lang als ze willen. Er is altijd opvang, maar door corona zijn er minder schuilplekken voor daklozen beschikbaar. Het virus heeft de groep, volgens hulpverleners, uit elkaar gedreven.

In Kreuzberg is er elke vrijdag een aanlooppunt waar daklozen zich kunnen laten vaccineren. Maar de animo is laag, bang als ze zijn dat er verplichtingen aan vastzitten. Binnenlopen op het Alexanderplatz voor een warme maaltijd zonder vragen is voor veel daklozen het enige contact met de hulpverlenende instanties.

"Hij trekt zijn slaapzak over zijn hoofd en draait zich om. Het belooft een ijskoude nacht te worden."

Jörg koopt zijn eigen eten in de winkel. "Ik heb toch een pensioentje." Hij zegt het met trots. Jörg heeft niemand nodig, wil hij maar zeggen. Hij drukt zijn sigaret uit in een provisorisch asbakje, biertje binnen handbereik.

Plotseling uit het niets, begint Jörg er weer op los te schreeuwen. Ik sta nog steeds voor zijn neus, het volume is niet te harden. "Wie? Zeg het me nu. Wie?" Ik vraag wie hij bedoelt. Ik krijg meer flarden van zijn in alcohol gedrenkte trauma toegeworpen. De volumeknop wordt teruggedraaid. Op fluistertoon: "Justitie. Justitie. Ik lag vastgebonden en op mijn hoofd hebben ze een deksel gezet."

Ik kan zijn warrige gefluister bijna niet volgen en stel voorzichtig een vraag. "Zat je soms in een cel?" Nu krijg ik de wind helemaal van voren. Hij is zwaar gepikeerd en begint weer te bulderen. "Nee! Nee! Ze draaiden aan mijn nek. Ze hielden me vast."

Hij zet zijn handen op zijn keel en maakt een knikbeweging. "Het Martin Luther-ziekenhuis, het ziekenhuis!" Hij is woest en heeft er genoeg van. "Ik ga slapen." Hij trekt zijn slaapzak over zijn hoofd en draait zich om. Het belooft een ijskoude nacht te worden.