Jeroen Akkermans

Wel of geen mondkapje?

07 september 2020 06:01

De bewaker van het Historisch Museum in Berlijn is streng. Hij gebaart een mevrouw dat het mondkapje over mond én neus moet zitten. Er staat een boete van minstens 50 euro op. Ze trekt het kapje snel over haar neus. 

Ik bezoek een tentoonstelling over het leven van Hannah Arendt, de Joodse filosofe die Adolf Eichmann, de organisator van de Holocaust, maar een 'Hanswurst' vond. Haar woorden raakten het kwaad in de meest banale vorm. Terwijl ik haar werk bekijk, hoor ik het ritme van mijn adem. Iedereen in het museum draagt verplicht een mondkapje, wetende dat de experts het niet eens zijn over de vraag in hoeverre het daadwerkelijk zin heeft. Het overgrote deel van de Duitse bevolking heeft vertrouwen in de aanpak.

"De overtuiging is dat het voor eigen bestwil kan zijn, er steekt geen kwaad achter."

De coronabewaking bij onze buurtsupermarkt is inmiddels verdwenen. Een man in uniform zag erop toe dat bezoekers een mondkapje droegen en afstand hielden. Hij telde het aantal klanten en ontsmette de winkelwagentjes. Maar binnen een paar weken was hij weer vertrokken, het toezicht was niet meer nodig.

De klanten doen het mondkapje als vanzelfsprekend op. De overtuiging is dat het voor eigen bestwil kan zijn, er steekt geen kwaad achter. Ik zie het als een 'gentlemen's agreement'. Het is beter dat we achteraf tegen elkaar zeggen dat de maatregel overbodig was, dan dat we moeten constateren dat het te laat is geweest. Een teken van solidariteit in een afstandelijke tijd.

Ik denk daarbij ook aan mijn moeder. Ze woont in Nederland op een afstand van 600 kilometer. Ik heb mijn moederland 32 jaar geleden verlaten omdat ik het er benauwd van kreeg. Ik kom sindsdien graag langs voor de gezelligheid. Onderweg naar Nederland krijg ik altijd vakantiekriebels. Maar vakanties moeten niet te lang duren, wil je het leuk houden. Mijn bliksembezoekjes gaan de laatste tijd meestal naar mama.

"Ik ben de enige die een mondkapje draagt. Het voelt als heulen met de vijand."

Ze heeft de leeftijd dat het niet is uit te leggen waarom ik haar geen kusje durf te geven. De ouderdom heeft haar warmer maar ook vergeetachtiger gemaakt. Ze woont in een verwend dorp waar ik graag teveel boodschappen voor haar doe.

Op de vloer van de supermarkt zijn stickers aangebracht om aan de nodige afstand te herinneren en het kassapersoneel werkt achter een plastic scherm. Maar de zin van het waarschuwen lijkt iedereen te ontgaan. Alsof er kwaaie wil achter steekt. Wie laat zich intimideren door een regelgever die doordraait? Nou, het winkelend publiek niet. Ik ben de enige die een mondkapje draagt. Het voelt als heulen met de vijand. En dat vrijwillig. Ik ben van het ergste soort.

Als ik een medewerker vraag naar de sherry zegt hij twee keer opzichtig vermoeid dat hij mij zo niet kan verstaan. Goed, de fles vind ik zelf wel. Mijn moeder is er blij mee en dat telt.

Dezelfde avond reis ik tot teleurstelling van mama terug naar Berlijn. Vlak voor de grens koop ik bij een pompstation nog een laatste flesje echte chocomelk. Voor de deur staat een groot bord dat maximaal vijf klanten tegelijk in de zaak mogen staan. Binnen tel ik minstens twaalf bezoekers.

"Iemand met een vermomming kwam verdacht voor. Of ze even de inhoud van haar lege tas wilde laten zien."

Een week later belt mijn dochter. Ze studeert sinds kort in Den Haag. Het is wennen voor haar in mijn vakantieland want ze is geboren in Berlijn. Maar wat ze nou toch heeft meegemaakt in de supermarkt. Ze was de enige met een mondkapje op.

Tijdens het afrekenen keek de kassière achter het scherm eerst vooral verbaasd in haar richting. Iemand met een vermomming kwam verdacht voor. Of ze even de inhoud van haar lege tas wilde laten zien. Een bewaker kwam erbij staan en gebaarde mijn dochter dat ze het kapje moest afdoen. Zo was het goed.

Ik denk aan de woorden van Hannah Arendt: 'Niemand heeft het recht om te gehoorzamen'. Er kan een plicht tot verzet bestaan, maar we hebben er geen recht op.