Pieter Klein

Maar niet uit het hart, mama

05 mei 2020 06:34

De ochtend was bijna net zo mooi als twee jaar geleden. Zon. Vogels. Het frisse groen. De ontluikende koriander en basilicum, ontkiemende pompoenen, de opgewekt felle kleuren van de bloemen in m'n tuin. Blauwe lucht, helder licht. Twee jaar geleden liep ik in de vroege ochtend naar buiten, een uur nadat m'n moeder vredig was ingeslapen. Opgaande zon, mistflarden boven de Friese vaart, meerkoetjes, witte zwanen in een eigen koninkrijk. De schoonheid van wat we met onze ogen mogen zien – het ligt iedere dag voor het oprapen.

Ik voelde in de vroege uren van die 4 mei 2018 opluchting. Ik vond rust, daar aan het water. Ik was blij. Blij voor m'n moeder, verlost uit een ongelijke strijd. Driekwart jaar zorgden we intensief voor haar. In de laatste fase ging ze talloze malen naar de hemel – en weer terug. En nu was het volbracht. Ik stond stilletjes te huilen aan het water, maar voelde me sterk, één met de wereld om me heen, één met mezelf. Ik lachte door m’n tranen heen en zei: "Het is goed zo, mam." Ik wist nog niet wat missen was.

"Ik voelde me verdrietig en onvrij, afgesloten, alsof het leven zich elders voltrok en voltrekt."

Twee jaar later – 4 mei 2020 – weet ik dat precies. Ik zag de schoonheid van de natuur, de natuur waar ze zo van hield, en het was nét alsof daarmee verdriet en leegte werden geaccentueerd. Alsof deze lenteochtend een rouwband droeg. 4 mei. Voor altijd is m'n moeder dus verbonden met de dagen van het herdenken van verschrikkelijke geschiedenissen, van doden, repressie, verzet, van gedenken en gemis. De dag vóór het feest van de vrijheid. Maar ik voelde me niet vrij in de lockdown van m'n achtertuin. Ik voelde me onvrij, afgesloten, alsof het leven zich elders voltrok en voltrekt. Alsof ik er niet bij kan, er geen deel van ben.

Bij de jaarwisseling van 2018 op 2019 schreef ik in deze column over m'n moeder. Als een vorm van eerbetoon. Om dat krankzinnige emotionele en indringende jaar een plek te geven. Ik schreef over de tekst op haar grafsteen: "Wie liefde uitstraalt, wakkert vreugde aan." Ik schreef het ook om het achter me te laten. Een punt te zetten. Om daarna weer vooruit te kijken, niet in het verleden te blijven leven, om mezelf niet te verliezen in rouw. Vaak lukt dat.

"Wat ben ik blij dat ze dit niet meer hoeft mee te maken."

Gisterochtend lukte het even niet. Het gemis leek groter dan daarvoor; de leegte en het verdriet zwaarder. Heftiger dan het eerste jaar erna. Heeft het te maken met dat rotvirus? Ik heb de afgelopen weken vaak aan m'n moeder gedacht. Wat ben ik blij dat ze dit niet hoeft mee te maken. De afstand, geen contact, geen knuffel, geen aai over je bol. Geen kleinkinderen. Het verdriet om het leed op ic's, in verpleeghuizen en al die andere plekken waar de dood, of de eenzaamheid, op bezoek komt. De crisis die als een lawine op ons afrolt.

Zo liep ik te somberen, terwijl ik mezelf moest hernemen. Ik moest naar het noorden, naar m'n vader, met m'n broer en zus. Om samen te gedenken. Op gepaste afstand uiteraard. Precies op dat moment kwam een citroengeel-witte vlinder voorbij in de tuin. Zoals-ie de afgelopen dagen wel vaker dag kwam zeggen als ik even neerslachtig was. Idioot, maar die vlinder is er altijd op dat soort momenten. Ik stel me voor dat mam dan even langswaait. Om me te groeten en op te beuren. Even later, vlak voordat ik thuis wegging, werd een prachtig boeket bezorgd. Van lieve mensen die ik ken uit de toeslagenaffaire. Ik belde onderweg, om ze te bedanken. Een van hen zei: "We hoopten dat het je op deze dag een glimlach zou bezorgen." Dat deed het. Ik pinkte een traantje weg en gaf gas.

"Graf schoongemaakt, nieuwe bloemetjes geplant. Het was eigenlijk best gezellig."

We verzamelden ons bij de plek die de laatste jaren ons ouderlijk huis was geworden. In de tuin bij het appartement, in de zon. Anderhalve meter uit elkaar. M'n vader had een gebakje bij de koffie geregeld. We kletsten met buren, spraken over de laatste weken van m'n moeder, over die laatste nacht. Over eigen herinneringen die we meedragen. We gingen naar de begraafplaats. In vier auto's. Graf schoongemaakt, nieuwe bloemetjes geplant. Het was eigenlijk best gezellig. Het was in ieder geval rustgevend. Ik denk dat mama het mooi zou hebben gevonden. Geloof me of niet – weer vloog die geel-witte vlinder voorbij.

Onlangs, toen de strikte regels voor bezoek aan ouderen boven de 70 werden versoepeld, ging ik ook naar m'n vader. Ik wilde koken en deed een reeks menusuggesties – dingen waarvan ik dacht dat hij ze lekker vond. Hij antwoordde: doe maar wat je moeder zou kiezen. Het werden – dus – asperges, net zoals een van de laatste keren op haar ziekbed. Nog een keer naar buiten, in het zonnetje, met een glas witte wijn. En een goede vriendin.

"Ik wilde die mensenloze leegte niet zien. Niet deze dag."

Een andere laatste keer was: BBQ. Dus. Op de dag waarop de doden worden herdacht, zetten wij de buurt van m'n vader in de rook. Er werd niet zoveel gezegd. Er werd, denk ik, wel veel gedacht en gevoeld. We verzonnen een soort schema dat corona-proof zou moeten zijn.  Voor het naar binnen en naar buiten gaan, opruimen, afwassen. Ik twijfelde: blijf ik tot de herdenking op de Waalsdorpervlakte en de Nationale Herdenking. Ik besloot het niet te doen – ik wilde die mensenloze leegte niet zien. Niet deze dag.

Ik reed naar huis, terug uit Friesland. De avondzon verwarmde het landschap met een oranje-rode gloed. Zou je mooi hebben gevonden, mam, dacht ik. Om 20.00 uur zette ik de auto even aan de kant, om stil te zijn. Ik dwaalde af. Misschien moet ik vaker naar stilte luisteren, dacht ik. Daarna luisterde ik naar de koning. Ik vertraagde. Iets in z’n woorden raakte me. Was hij persoonlijker, trefzekerder in z’n formuleringen? Ik voelde me niet 'samen', maar iets in zijn woorden gaf me hoop. En kracht. Dank, Willem-Alexander.

“Missen is iets wat je voelt als er iets er niet is.”

Toen ik gisteravond thuiskwam, liep ik m'n werkkamer in. 'Papa's hok', noemen de kids het. Ik zocht wat spullen bij elkaar, staarde naar mijn boekenkast en m'n oog viel op de miniatuurtjes van Toon Tellegen die ik aan mijn moeder gaf – de kleine, prachtige boekjes met dierenverhalen. Over loslaten, eindigheid, verdriet. Over afscheid nemen. Ik gaf haar die boekjes, in die laatste weken, omdat ze het lezen van korte verhalen nog net kon opbrengen. En dat schaterlachend deed.

Een van die boekjes heet 'Maar niet uit het hart'. Een van de mooiste verhalen daarin vind ik het verhaal waarin de mier tegen de eekhoorn zegt dat ze elkaar een tijdje niet moeten zien. De eekhoorn snapt daar niets van – het is toch gezellig zo? Maar de mier zegt dat het nodig is om te ontdekken of ze elkaar zullen missen. De eekhoorn weet niet wat dat is, missen. Mier legt uit: "Missen is iets wat je voelt als iets er niet is." Daarna komen mier en eekhoorn terecht in filosofische dilemma's over missen en vergeten. En wat je voelt als je mist. "Ik zal jou nooit vergeten", zegt eekhoorn.

Zo is het.

Maar niet uit het hart, mama.

Ik mis je.

Dag mam!