Susanne Uilenbroek

Geen zoenen, geen knuffel, geen hand

18 maart 2020 05:58

Mijn dochter schreeuwt tegen de laptop. "Zes! Het is zes, oma! Echt waar!" Via een videoverbinding speelt ze mens-erger-je-niet met mijn ouders. Het bord en de pionnen staan bij hen, mijn dochter gooit als ze aan de beurt is met een dobbelsteen en geeft het aantal ogen door. Opa verzet haar pionnen.

Mijn ouders wonen niet aan de andere kant van de wereld. Ze wonen nog geen drie kilometer bij ons vandaan. Elke donderdag passen mijn ouders normaal gesproken op. Dan hebben ze met z’n drieën hun eigen rituelen, waarvan mens-erger-je-niet spelen er één is. Maar deze week gaat mijn dochter niet naar hen toe. Van alle dingen die deze dagen anders gaan, vindt ze dat het ergste.

"Wij zijn vitale ouderen", appte mijn moeder.

Mijn ouders vinden het ook maar niets. Als ik ze nu zou opbellen met de vraag of we mogen langskomen, staat er over een halfuur een appeltaart in de oven en is het water gekookt voor de thee. "Wij zijn vitale ouderen", appte mijn moeder. "Dat houden we graag nog even zo", appte ik terug.

Natuurlijk kan ik mijn ouders niet maanden achter elkaar onder een glazen stolp houden. Of zoals de Britten met hun ouderen willen doen: vier maanden in quarantaine zetten. Ik kan alleen maar hopen dat ons gezondheidssysteem niet overbelast raakt en dat er zorg is als zij ziek worden.

"Terwijl hij op de stoep blijft staan, rent zijn zoontje met een snottebel langs ons tuinhek."

Het voelt raar en onnatuurlijk om letterlijk zo veel afstand tot je familie en vrienden te bewaren. Mijn zusje gooit een boek door de brievenbus en we kletsen met een vriend die langskomt vanuit de voortuin, terwijl hij op de stoep blijft staan en zijn zoontje met een snottebel langs ons tuinhek rent. 

In de supermarkt kom ik een vriendin van vroeger tegen. Geen drie zoenen, niet eens een hand. Ze werkt in de thuiszorg met hulpbehoevende ouderen en terwijl wij even bijpraten, vraag ik mij af of ik niet te dicht bij haar sta.

"Normaal omhelzen ze elkaar. Nu staan ze onwennig elkaar aan te kijken."

Op het schoolplein bij het ophalen van het huiswerk staat de gymleraar er een beetje verloren bij. De zon schijnt en het is een prachtige lentedag. Op andere dagen zoals deze zou het voetbalveldje gevuld zijn met rennende jongens, maar nu is er niemand. 

De gangen van school zijn leeg. De juf is niet in de klas. In het lokaal ligt op elk tafeltje een stapel boeken, een briefje erbij met huiswerk voor de komende drie weken. We komen een vriendinnetje van mijn dochter tegen. Normaal omhelzen ze elkaar. Nu staan ze onwennig elkaar aan te kijken. Haar ouders werken in het ziekenhuis.

Mijn dochter en ik halen appelflappen en eten ze op in de voorjaarszon. Dan rent ze naar binnen. "Ik ga weer mens-erger-je-nieten met opa en oma", roept ze als ik vraag waar ze heengaat. "Oma, zie je mij?" hoor ik even later aan de andere kant van het raam. "Je moet je telefoon anders neerzetten, dan kan ik het hele bord zien."