Jeroen Akkermans

Waar was u toen de Muur viel?

04 november 2019 06:09

Ik ben op 9 november 1989 in Londen waar ik als redacteur werk bij het Super Channel Wereldnieuws, 'bij u gebracht door Mitsubishi Motors'. Tijdens de nachtdienst zien mijn twee collega´s en ik honderden Oost-Duitsers letterlijk de vrijheid tegemoet lopen. Elk beeld is wat mij betreft te kort. De volgende ochtend vraag ik op het reisbureau of er nog plek is op de vlucht naar Berlijn. Er is nog één stoel vrij, achter in het hoekje. Ik juich, tot ergernis van de medewerker.

Het vliegtuig zit vol met uitgelaten journalisten. Ik lijk de enige passagier die zonder doel afreist. Ik heb geen camera of idee bij me. Voor mij is erbij zijn het enige dat telt. Je voelt dat er geschiedenis geschreven wordt en ik wil de pen met eigen ogen zien. We landen in het gedeelte waar een Muur omheen staat; West-Berlijn. Ik geef mezelf 48 uur de tijd.

De val van de Muur is crack, coke en crystal meth samen. Niemand die piekert over de gevolgen van de overdosis. De roes voelt juist gezond.

Het is mijn eerste bezoek aan de gedeelde stad. Al mijn zintuigen staan open. Ik ruik de mensen, ik zie de drukte en voel het moment. Je merkt dat iedereen het zo ervaart, wat het moment nog verder intensiveert. Zo is het leven pas echt vurrukkulluk, zonder een spoor van cynisme.

Iedereen is lief, attent en nieuwsgierig naar elkaar. Bijbedoelingen, chagrijn of afstand zijn verbannen. De val van de Muur is crack, coke en crystal meth samen. Niemand die piekert over de gevolgen van de overdosis. De roes voelt juist gezond.

De mensen die hun eerste ogenblik van vrijheid genieten herken ik al snel aan een compromisloos kapsel, gebleekte jeans en een tas uit vorm. Ze staan stil voor elke etalage. Bij een sigarettenwinkel vraagt een jongen in jubelstemming of ik een vuurtje heb. Helaas. "Macht nichts, mijn hele lichaam brandt al. Ik heb geen aansteker meer nodig." 

Het zijn teveel indrukken voor mij, hoe moet dat voor de mensen zijn die 28 jaar lang deze wandeling naar het westen is ontnomen?

We drinken samen gratis bier in een vol café, alsof we elkaar al jaren kennen. Dan verliezen we elkaar uit het oog. Gesprekken gaan als een lopend vuurtje, voor je het weet zit je naast een nieuwe vriend of vriendin. Niemand is een vreemdeling. Niemand neemt afscheid. Niemand slaat dronkemanspraat uit. We zijn allemaal blij, alleen maar blij. Echt blij.

Het is al vroeg in de ochtend. Sluiten of slapen is er niet bij. Een tukkie doen op een stoel is voldoende om weer fris met nieuwe vrienden op te staan en samen een gratis koffie te drinken. Het zijn teveel indrukken voor mij, hoe moet dat voor de mensen zijn die 28 jaar lang deze wandeling naar het westen is ontnomen? Ik besluit om tegen de stroom in naar Oost-Berlijn te lopen. Het voelt eenzaam, alsof ik het leven verraad.

Ik dwaal rond in straten die al lang geleden zijn leeggebloed. Soms kom ik iemand tegen en knik ik even, hopend op een teken van herkenning. Ik wil terug.

Niemand houdt me tegen bij de grensovergang Invalidenstrasse. Bewakers die zijn opgeleid om op vluchtelingen te schieten, winken me door met een vrolijke smoel. Met elke meter ebt het moment van euforie verder weg. Ik voel geen blijdschap meer. Ik ben ineens hondsmoe.

Liefst wil ik even slapen maar de vuile portieken in de snijdende kou zijn niet uitnodigend. Ik dwaal rond in straten die al lang geleden zijn leeggebloed. Soms kom ik iemand tegen en knik ik even, hopend op een teken van herkenning. Ik wil terug.

Maar zo makkelijk gaat dat niet. Ik besef me dan pas dat ik geen DDR-inreisstempel heb en maak me zorgen. Voor de grensovergang is het druk. Het gerucht gaat dat de post voorlopig niet meer open gaat. Feit is dat de slagbomen streng horizontaal over de straat hangen. Voor het grenshuisje ernaast staat een lange rij.

Mensen zijn woest, ze schreeuwen en schelden tegen functionarissen die tegenspraak niet uit hun boekje kennen. In koor: "Lass uns raus, lass uns raus, lass uns raus!"

Mensen zijn woest, ze schreeuwen en schelden tegen functionarissen die tegenspraak niet uit hun boekje kennen. In koor: "Lass uns raus, lass uns raus, lass uns raus!" De vertwijfeling sijpelt in hun uniform. Plotseling komt de rij onder luid gejuich weer in beweging en ik sluit me vrolijk aan. Er wordt ons te verstaan gegeven dat iedereen wel eerst zijn paspoort moet laten zien. Nu juich ik niet meer.

Als vee worden we in een lelijk verlichte gang langs een hokje gedreven. Er zit spanning in het geroezemoes en geschuifel. Iedereen houdt zijn paspoort omhoog. Ik besluit hetzelfde te doen, opengeslagen op twee lege pagina´s. Achter het loket zit een man, zijn pet zo naar achteren geschoven dat er geen autoriteit in zit.

Hij kijkt niet eens. Ik loop snel door naar West-Berlijn. Meteen beginnen we elkaar spontaan te knuffelen. Ik laaf me aan zoveel blijdschap. Ik heb hooguit een uurtje in angst gezeten, maar het moment voelt nu al als een bevrijding. Leve de vrijheid.