Jaap van Deurzen

Weldoener komt uit de kast

29 september 2019 06:06

Een minithriller in vier delen

Hoofdstuk 1: Hedendaags sprookje

Er was er eens een Volendamse visboer in het oude vestingstadje Weesp. Zijn naam was Ab Guijt, of 'Goede Ziel'. Want in Volendam, met ontelbare Tollen, Veermannen en Schilders, hebben velen een bijnaam.

Sommigen zagen niets guitigs aan Ab. Soms kon hij je aankijken alsof je zijn voorraad paling wilde wegroven. Als haringverslaafde zag ik hem dagelijks en ik wist wel beter. Op een dag zei hij: "Jaap, wat ik nou meemaak! Er kwam een vrouw de winkel in en die gaf me een grote zak met geld. Of ik dat wil uitdelen aan de slachtoffers van de ramp tijdens oudjaarsnacht..."

Ik wachtte op een absurde clou, maar die kwam niet en ik werd nieuwsgierig. Maar Ab was gebonden aan een geheimhoudingsplicht, de schenker wilde anoniem blijven.

Hoofdstuk 2:  De nachtmerrie

Het is nieuwjaarsnacht op 1 januari 2001. In café De Hemel in Volendam is het rond half één. Aan het plafond van het café hangen uitgedroogde dennentakken. Opeens springt een vonkje van een sterretje over. De versiering vliegt subiet in brand. De gloeiende massa valt over de bezoekers van de bomvolle kroeg heen. Er vallen veertien doden en honderden gewonden.

"Ik heb een leuk verhaal voor je. Ik ben de schenker van die geldbedragen aan de Volendammers en jij mag het doorvertellen."

Hoofdstuk 3: De voordracht

Op verzoek van de protestantse vrouwenvereniging van Weesp houd ik een voordracht over dertig jaar oorlogs- en rampenjournalistiek. Om niet iedereen gelijk met een trauma naar huis te sturen, sluit ik af met een luchtig verhaaltje over haring, waarin ook visboer Ab Guijt figureert. Ik vertel het verhaal over de anonieme geldschenking.

De beer is los.  Als een roedel Weesper 'Miss Marple'-moppen (naar de bejaarde heldin van thrillerschrijfster Agatha Christie) gaan de vrouwen op zoek naar de mysterieuze weldoener.

Hoofdstuk 4: De ontknoping

Dan word ik gebeld en hoor een vrouwenstem. "Ik heb een leuk verhaal voor je. Ik ben de schenker van die geldbedragen aan de Volendammers en jij mag het doorvertellen."

Ik bezoek An in haar huisje onder de rook van Amsterdam. Ze is negenentachtig en loopt slecht, maar geestelijk is ze zo scherp als een mes. Na de scheiding van haar eerste man trouwt ze met een veeboer, Jan, die de nuchterheid zelve is en zuinig van aard. Jan en An hebben het nóóit over geld. Soms glipt er, buiten het oog van de Belastingdienst, weleens een zwart koetje over de toonbank. 

De gulle geefster, achttien jaar later: "Het geld was verstikt." De gulle geefster, achttien jaar later: "Het geld was verstikt."

De opbrengst wordt verstopt in een baal hooi in de schuur. Van lieverlee groeit het koetje uit tot een kudde; het zwarte bedrag groeit navenant. Maar dan wordt Jan aangereden en raakt invalide. Hij vertelt An zijn geheim. Voor de zekerheid  begraaft ze de dikke bundels met biljetten van honderd gulden onder de vloer van de schuur. Geen haan die ernaar kraait.

Tot begin 2001. An is diep geroerd door het Volendammer leed en besluit iets te doen. Ze graaft het geld op en schrikt zich rot. "Het geld was verstikt", zegt ze met pretoogjes. De biljetten waren bijna verpulverd. An rolt de restanten in een krant en stapt naar visboer Ab. Een comité van Volendamse wijzen besluit de guldenbiljetten die nog intact zijn, om te zetten in euro's. "Half Volendam liep onder leiding van de pastoor zwart geld wit te wassen", zegt Abs dochter, bij wie ik het verhaal check.

De resterende biljettenbrij gaat naar De Nederlandsche Bank, waar sympathie is voor de actie. Sterker nog, volgens An legt de bank er nog een bedrag bij. Het wordt verdeeld onder de ergst getroffenen. Jan weet van niks. An: "Het zou hem totaal niet hebben geïnteresseerd." Want Jan en An hadden het namelijk nóóit over geld. Mooi hè?