Jaap van Deurzen

Toen wij uit Rotterdam vertrokken

19 mei 2019 06:16

Vrouwlief Blond en ik hebben het er in bange dagen nog weleens over. Zestien jaar geleden sloegen we onze tenten op langs de Vecht. Het was een vrieskoude winter. De besneeuwde patriciërswoningen aan de Hoogstraat in Weesp lagen erbij alsof ze waren gekopieerd uit een boek van Anton Pieck. Ik parkeerde bij de oude ophaalbrug over de rivier en stapte een sprookje in. Ik geef het toe, als je de Rotterdamse Van Brienenoordbrug bent gewend, is alles mooi.

De hemel was bezaaid met sterren. De Vecht was aan het stollen. Uit café De Natte Krant kwam het gedempte geluid van een livebandje. Walmen rook sloegen naar buiten toen de deur werd geopend. Mijn adem stokte. In het grote huis tegenover de kroeg zag ik een man op de eerste verdieping rondjes lopen met een boek in zijn handen. Als hij voor het raam aan de Vechtzijde verscheen, kon ik hem goed zien: het was bioloog Midas Dekkers, die liep te lezen. We omarmden het vestingstadje, dat als een warme deken om ons heen sloot.

"Niets zo ontspannend als in goed gezelschap langzaam een rivier afdrijven met een gekoeld drankje in je hand."

Als ik weer terugkwam uit de middeleeuwse zandbak van Afghanistan of was ontsnapt aan de chaos in het oosten van Oekraïne, was Weesp altijd weer een heerlijke haven. Natuurlijk werden we als Rotterdammers schoorvoetend onthaald door de bewoners van het stadje onder de rook van 020. Of we nog steeds aanhangers waren van 010, werd soms ietwat dreigend gevraagd. "Ja", kreunde ik dan binnensmonds, en vreesde voor mijn neusbeentje. Zeker toen Feyenoord op een dag met 6-2 van Ajax won was het bal. Het kwam goed, de godenzonen werden kampioen. Zonder inburgeringscursus werden we in het mooie Weesp geaccepteerd.

Inmiddels zijn we jaren verder. Vorige maand kregen we opeens de kriebels. Het was mooi weer. Het schitterende zonlicht werd weerkaatst op de rivier. Plezierjachten werden uit het vet getrokken. Sloepjes dobberden vredig op de Vecht, koelboxen met witte wijn en koud bier lagen in het vooronder. Er is niets zo ontspannend als in goed gezelschap langzaam een rivier afdrijven met een gekoeld drankje in je hand. Veel Weespers hebben een bootje, of kennen iemand die er een heeft. Voor ons was de tijd rijp om er ook een te kopen. Wist ik veel.

"In twee tellen had ik het sloepje gekocht. Ik had alleen één ding over het hoofd gezien: ik had nog nooit gevaren."

"Gezellig! Drinken we bij mooi weer lekker een wijntje op het water", bubbelde Blond enthousiast. Mijn bek viel wagenwijd open. Een jaar geleden kreeg ik haar niet eens de SS Rotterdam op, want dat gigantische schip lag wel in héél diep water – dat was niet haar favoriete habitat.

Iets in haar brein moet zijn geknapt. Als de wiedeweerga vond ik een sloepje. In twee tellen had ik het gekocht. Ik had alleen één ding over het hoofd gezien: ik had nog nooit gevaren. Een mastworp maken in een touw is voor mij een meetkundige puzzel. Ik ben al blij als ik mijn schoenveters vast krijg.

"Ik startte de motor en zoefde solo de Vecht op. Ik voelde me Popeye zonder zijn Olijfje."

Met de motoriek van een mank nijlpaardje stapte ik in het schommelende scheepje en lag bijna in het water. Blond vestigde ter plekke het wereldrecord 'schellen van de ogen laten vallen'. Voor geen goud stapte ze met 'Kapitein Chaos' in zo’n bootje. Ik smeekte haar aan boord te komen, maar het kreng bleef balsturig aan wal. Ik startte de motor en zoefde solo de Vecht op. Ik voelde me Popeye zonder zijn Olijfje.

Op de kade van de Weesper Kom klepperden de naaldhakken van Blond onverzettelijk tegen de kasseien. Ze zwaaide naar haar ketelbinkie. Waren we maar nooit uit Rotterdam vertrokken,  zag ik haar denken.

Lang verhaal kort: ik heb een bootje te koop. Wie maakt me los?