Jaap van Deurzen

Mijn leven is een werkstuk geworden

10 maart 2019 06:00

Mijn leven is een werkstuk geworden. Pardon? "We moeten van de juf een ouder iemand interviewen over wat-ie allemaal heeft beleefd in zijn leven en hoe het vroeger was zonder mobiele telefoon", zegt de twaalfjarige Finn verlegen.

Het ontberen van een mobieltje klinkt alsof het gaat om een jaartje creperen in een Siberisch strafkamp. Finn is de zoon van een collega. Het is een prachtvent. Hij doet me denken aan Tadzio uit Luchino Visconti's meesterwerk 'Dood in Venetië', met een meedogenloze Dirk Bogarde in de hoofdrol. Tadzio's rol wordt vertolkt door de langharige Zweed Björn Andrésen. Ook Finns haren hangen er weelderig bij.

"Nee, hij wil geen journalist worden. Het lijkt alsof ik iets onzedelijks heb gezegd."

Met zijn keiharde, beweeglijke jongenslijf gaat hij op het puntje van de bank zitten en pakt een notitieblokje uit zijn tas. Daar zullen zegge en schrijve vier regels op verschijnen. Simultaan meeschrijven tijdens het interview is niet zijn sterke punt, de dictafoon van zijn iPad gaat aan.

Nee, hij wil geen journalist worden. Het lijkt alsof ik iets onzedelijks heb gezegd. Na deze onhandige start kijkt hij me aan met een blik van: waar moet ik in vredesnaam beginnen? Ik heb een zwak voor dit soort jongens.

"Hoe lang moet het worden?" vraag ik om hem op weg te helpen. "Het moet geen boek worden", zegt Finn droog. "O, en hoe heb je je voorbereid?" "Ik heb uw naam gegoogeld." Stilte. "En, wat is je opgevallen?" "U bent in allerlei gevaarlijke gebieden geweest op de wereld."

"Ik maakte interviews voor de schoolkrant, met artiesten die in het weekend kwamen optreden in Rotterdam."

Kijk, nu komen we ergens. Brand los, kerel! Als een trage grindmolen komt ons gesprek op gang. Interviewen is een kunst, ga er maar aan staan.

Ik denk even terug aan mijn eigen eerste schreden op het journalistieke pad. Ik was veertien en kwam uit een arbeidersgezin. Het woord 'sjoernalist' kon ik niet eens spellen.

Net als veel anderen was ik toekomstig kanonnenvoer voor de haven. Fysiek was ik een schriel manneke, maar als interviewer groeide ik uit tot de Hulk. Ik maakte interviews voor de schoolkrant. Die stukjes gingen over artiesten die in het weekend bij ons kwamen optreden in Rotterdam.

"Internet bestond niet. Ik jatte stukjes tekst uit muziekbladen."

"Mag ik er even langs, ik moet Joe Cocker interviewen", hoor ik mezelf nog gewichtig mompelen. Joe was toen een aanstormende ster die op de drempel stond van een grootse carrière, net als Cornelis Vreeswijk, Boudewijn de Groot en Tee Set, een bandje uit Delft. Die jongens hadden koppen als totempalen.

Internet bestond niet. Ik jatte stukjes tekst uit muziekbladen. Ik stond stokstijf van de zenuwen als ik aan mijn vragenlijst begon. "Naar welke muziek luister je? Wat is je favoriete maaltijd?" Wist ik veel. Cornelis Vreeswijk klokte het ene pijpje pils na het andere naar binnen: "Je moet naar Stockholm gaan, joh. Daar zijn heerlijke, blonde wijven." Ik piste bijna in mijn broek. Vreeswijk werd een volksheld in Zweden, maar tact was niet zijn sterkste kant.

Terug naar Finn. Het gesprek is goed op gang gekomen. Mijn geheugen staat op scherp. We vliegen van Belfast naar Afghanistan, Noorwegen en Oekraïne. Het is pittige kost, veel verhalen zijn gruwelijk, maar ik houd het kuis.

"Wat ik geleerd heb is dat het niet uitmaakt of je rijk of arm bent, je kunt altijd je droom najagen."

Retour naar vroeger. Finn noteert: "Toen hij een jongetje was hadden ze geen telefoon in huis en zijn vader en moeder waren arbeiders en moesten in een fabriek werken. Wat ik geleerd heb is dat het niet uitmaakt of je rijk of arm bent, je kunt altijd je droom najagen."

Hij valt stil en staart voor zich uit, zittend in de houding van de Denker van Rodin. Zijn elleboog steunt op de knie, de kin rust op zijn hand en plotseling zegt hij: "Zo, dat was interessant!" Goeie man, die Finn. Hij komt er wel.