Susanne Uilenbroek

De missie van de dakloze Jos is volbracht

06 maart 2019 05:38

De kleine aula van de begraafplaats zat al helemaal vol. Mijn vader moest via een trapje naar de galerij waar ook al mensen zaten. Er waren veel collega’s, ook waren er mensen van de beveiliging en zelfs de stagiair was er. Even later schalde harde rockmuziek uit de boxen.

Afgelopen maandag is Jos begraven. Jos was dakloos. Waarom hij geen dak meer boven zijn hoofd had, weet mijn vader niet precies. Hij leerde Jos kennen tijdens zijn werk voor de daklozenopvang. Jos had zijn haar lang laten groeien, het viel tot over zijn schouders. Soms droeg hij het in een staart. Hij droeg altijd camouflagekleding. Ergens achterin de vijftig is hij geworden.

Bij elkaar was er een man of zestig naar de begrafenis van Jos gekomen. Veel daklozen, maar ook een handvol familieleden en medewerkers van de daklozenopvang. Er waren speeches en er was een lunch na afloop. In de opvang was een herdenkingshoekje ingericht waar een kaarsje brandde bij zijn foto.

Voor degenen die een slaapplek buiten het centrum hadden toegewezen gekregen, betekende dit dat ze lopend, fietsend, liftend of met het OV van de nacht- naar de dagopvang moesten en weer terug.

Toen mijn vader Jos leerde kennen, sukkelde hij al met zijn gezondheid. Hij had diabetes en last van zijn hart. Hij was slecht ter been en had een stok nodig om te lopen, maar hij rookte als een ketter. Hij was niet verslaafd aan drugs of alcohol en dat maakte hem anders dan veel andere daklozen. In de nachtopvang kon hij vaak niet slapen, dan ging hij een peuk roken met de beveiliger van dienst. Jos was bijdehand en had een grote bek.

Jos zat in de cliëntenraad van de daklozenopvang en liet geen moment ongemoeid om de gemeente ervan te overtuigen dat het anders moest: de nachtopvang was verdeeld over twee locaties, één in de stad en één daar buiten. Dagopvang was er alleen op de locatie in de stad. Voor degenen die een slaapplek buiten het centrum hadden toegewezen gekregen, betekende dit dat ze lopend, fietsend, liftend of met het OV van de nacht- naar de dagopvang moesten en weer terug. Op zich niet veel gevraagd, maar als je geen geld hebt en slecht ter been bent, dan is het een hele onderneming om heen en weer te komen.

En juist Jos had een vaste slaapplek buiten de stad gekregen. Het lopen ging hem echt slecht af en daarom probeerde hij altijd een lift te regelen. De kok van de nachtopvang bracht hem weleens en soms een beveiliger. Maar de tijden van de nachtopvang waren strikt: om negen uur stond hij buiten en pas om vijf uur kon hij dan weer naar binnen, zomer of winter. Had hij geen vervoer, dan zat hij op een bankje dat uitkeek op een drukke rotonde, vlakbij de nachtopvang. Fietsers die naar hun werk of school gingen, hebben hem daar vast weleens gezien: een man van middelbare leeftijd met lange haren in camouflagekleding en met een wandelstok.

Apetrots was Jos, dat had hij toch maar mooi voor elkaar gekregen.

Een huis wilde Jos niet meer. Hij was bang voor de eenzaamheid. Door zijn werk voor de cliëntenraad voelde hij zich gewaardeerd en gekend. Liever at hij op vrijdagavond nasi met andere dak- en thuislozen, dan dat hij alleen op een flatje zou moeten zitten. Bij de opvang waar hij sliep, stond een stoel voor de deur zodat hij kon zitten als hij er te vroeg aankwam en moest wachten totdat de opvang open ging. Kleine gebaren die hij zou moeten missen als hij een huis zou krijgen.

Jos kreeg uiteindelijk zijn zin van de gemeente. Die besloot dat er zo min mogelijk daklozen op straat moesten rondhangen en dat het daarom goed was dat de nachtopvang van Jos voortaan 24 uur per dag open was. Apetrots was Jos, dat had hij toch maar mooi voor elkaar gekregen. "Missie volbracht", zei hij. Twee dagen later stopte het hart van Jos ermee. Hij overleed in zijn slaap in de daklozenopvang.