Jaap van Deurzen

De tjiftjaf, de bladkoning en de grote groene grobber

03 maart 2019 06:19

"Kijk, een pelikaan! Wat staat-ie daar mooi, hè?" kirt vrouwlief Blond.

In het kader van leuke-dingen-doen zijn we de velden rond Weesp in gevlucht. Blond wijst wel vaker vogels aan en doet dat met de beste bedoelingen. Er is niets mis mee om een nitwit als ik de kneepjes van de vaderlandse ornithologie bij te brengen. Vroeger was ze veel op de Veluwe en werd ze een kenner van 's lands flora en fauna. Maar soms denk ik dat ze bluft. "Kijk, een houtduif!" kan ze met zo’n geagiteerd gilletje roepen, alsof er net een Pteranodon zo groot als een Boeing voorbij is gevlogen.

"Ik kan nog net een mus van een meeuw onderscheiden, maar bij de tjiftjaf haak ik af."

Mij kun je alles wijsmaken. Ik woonde in Rotterdam in de schaduw van een melkfabriek. De fauna bestond daar uit moddervette ratten en dito katten. Verder had mevrouw V. een misvormd teckeltje dat we afgunstig 'die witte rat aan een touwtje' noemden.

Kennis van gevogelte heb ik nooit gehad. Ik kan nog net een mus van een meeuw onderscheiden, maar bij de tjiftjaf, de bladkoning en de grote groene grobber haak ik af.

Toch weet ik één ding zeker, er is hier op de Weesper wei geen pelikaan te bekennen. Verbaasd en verbolgen kijkt de reiger onze kant op. Zie ik er zo rot uit, zie ik hem denken, en kopschuddend gaat hij verder met vissen. Natuurlijk vergeef ik Blond haar vergissing meteen – wie ben ik dan? Bovendien heeft een pelikaan wel wat weg van een reiger met struma.

"Ik zou als koolmees niet meer weg te branden zijn van ons balkon. Laat die eitjes maar komen."

Baldadig wijs ik op een morsig schaap en zeg: "Kijk, een poema! Die staat daar mooi, hè?” Het kwartje valt. We keutelen maar wat aan. We zijn ons huis min of meer ontvlucht, droef als we zijn over het zoveelste mislukte mezendrama. Voor de derde keer op rij hebben we een splinternieuw hokje aan de muur gehangen om onderdak te bieden aan broedende koolmezen. Die vertederen ons, maar de afgelopen jaren ging het flink mis. Ons balkon leek wel een mezenabattoir.

We gaan ze maar eens in de watten leggen, dachten we. Bij wijze van luxe buitenverblijf hebben we er een boomstammetje met een open kooitje bij gezet. Daar ligt pikzwart zaad in. Dat schijnt een schitterende hors d'oeuvre te zijn. We hebben er ook van die zaadballen in gele netjes bij gehangen. Ik zou als koolmees niet meer weg te branden zijn van ons balkon. Laat die eitjes maar komen.

Maar met het dedain van een stel arrogante pijlstaart-mezen vliegen ze aan de uitgestalde delicatessen voorbij. Alsof we van plan zijn om ze stiekem te vergiftigen. Net als vorig jaar kiezen ze voor het bouwvallige hokje van onze benedenbuurman. Hij heeft het verveloze onding aan een boom gespijkerd. Aan de takken hangen drie leeggevreten, groengele netjes. Het lijken wel gebruikte, geruite condooms.

"Ik heb als ornithologisch digibeet nog nooit van een boomklever gehoord."

Natuurlijk hebben we sabotage van zijn mezenhok overwogen, maar we vinden hem te aardig. Het is wel gekmakend, en de kosten lopen op. Want inmiddels beschouwt een kwartet kraaien ons blijkbaar als Gekke Gerritjes. Ze wurmen zich dat opengewerkte kooitje in en pikken alle zwarte zaadjes weg. Dat schiet niet op.

Daarom zoeken we ons heil steeds vaker in de polder. "Kijk, een boomklever", zegt Blond en wijst naar een boom, honderd meter verderop. Als een minuscule stip hangt daar inderdaad een vogeltje ter grootte van een kolibrie aan de stam. Ik heb als ornithologisch digibeet nog nooit van een boomklever gehoord. En ik heb zo'n vaag vermoeden dat ik in de maling word genomen. Ik kijk Blond argwanend aan en zeg dan met volle overtuiging: "Welnee joh, zie je dat niet? Dat is gewoon een grauwe velpon-mus."