Jaap van Deurzen

Eerst een hert, dan een poedel

03 februari 2019 06:00

Ja, ja, het is zo'n dag waarop alles klopt. U kent het wel. Reinbert de Leeuw speelt somber Satie, sapje, ontbijtje, eitje, wegwezen. De Veluwe ligt onder een strakblauwe hemel. De vorst zit nog in de grond, de rijp ligt op de bladeren in het bos. Geen groter geluk dan bij vriesweer de paden op de lanen in te gaan.

Ons reisdoel bevindt zich in hartje Biblebelt. Het is een prachtig natuurgebied tussen Nunspeet en Elspeet. Dat zijn gezandstraalde dorpjes waar de brave burger, zwaarbelast met de erfzonde, in zijn riante hol zit. Het boek vol zilverwerk op tafel. Kortjakje, altijd ziek, is weer uit de lappenmand. Tweemaal per dag gaat ze ter kerke. Studio Sport kijken op de geblindeerde zolder. Ieder zijn meug.

"Overal op de hei liggen gigantische keien. Hier graasden vroeger de mammoeten aan de rand van de morene."

Het goddeloze plebs uit de Randstad betreedt met koude konen het natuurgebied. Ongeveer tot dit punt gleed in de voorlaatste ijstijd de massa opgestuwd puin uit het hoge Noorden. Overal op de hei liggen gigantische keien. Hier graasden vroeger de mammoeten aan de rand van de morene.

Vrouwlief Blond draagt een jas waarmee je ook een extreme poolreis kunt maken. Het is een soort schapenvel dat temperaturen van ver onder het vriespunt aankan. In balorige buien noem ik haar weleens blonde aap. Nu roep ik: "Hé! Schaapaap!" Ik kan wel een potje breken qua humor.

Gillend van het lachen hurkt ze in de bevroren hei en doet haar behoefte in een grindgat. Die gaten zijn ontstaan toen de boeren de Scandinavische zwerfkeien uitgroeven om hun erf ermee op te vrolijken.

"Hier staan twee stadsmensen met de mond vol tanden, overweldigd door dit prachtige natuurgeweld."

Dan gebeurt het. Na een halfuurtje lopen duikt plotseling uit het niets een gigantisch edelhert uit de struiken. Mijn hart zit in mijn strot.    Het enorme dier, met een schitterend gewei, schiet in wilde paniek op een paar meter afstand voor ons langs. Hier sprint een kleine tweehonderd kilo wildtraktatie. Ik denk gelijk aan de Oostvaardersplassen met de omheinde herten en de op scherp staande scherpschutters. Wat een vrijheid heeft dit beest. "Filmen!" gil ik als een wilde, maar Blond zit alweer trillend in een grindgat.   "Dat was een hert!" brult ze onthutst. "Echt?" vraag ik quasi-verbaasd. Maar we zijn beiden te veel onder de indruk om er nog meer flauwe grappen over te maken. Hier staan twee stadsmensen met de mond vol tanden, overweldigd door dit prachtige natuurgeweld.

"De poedel vliegt anderhalve meter de lucht in en bijt zich vast in mijn arm."

Als onervaren jagers loeren we om ons heen. Een hert is een groepsdier, straks hebben we de hele kudde op ons dak. "Hoe zat dat ook alweer met die wolven die steeds verder het land binnenkomen?" informeert Blond ietwat bangig en haakt een arm in. Zacht babbelend en druk om ons heen kijkend vervolgen we onze wandeling.   Het is geen wolf die voor de volgende consternatie zorgt, maar een nuffige nazaat. In de verte komt een echtpaar van middelbare leeftijd ons tegemoet met een zwarte poedel. Zo'n hooghartig, verwijfd exemplaar met kunstig opgeschoren bolletjes vacht. Tegen de regels in loopt het dier niet aangelijnd. Net als ik de voorbijgangers wil groeten, vliegt het mormel met ontblote tanden anderhalve meter de lucht in en bijt zich vast in mijn arm. De vlijmscherpe tandjes gaan dwars door mijn jas.

Weer zit mijn hart een meter boven NAP. Dat doet-ie normaal nooit, verwacht ik als slap excuus. Maar de sympathieke eigenaren zijn zich ook rot geschrokken. Het blijkt te gaan om een poedelpuber met een onderontwikkeld brein. Dat zijn soms ongeleide projectielen. "Stoute Tokkie!"

Gegevens worden uitgewisseld. Komt goed! Handen worden geschud. De zon schijnt uit een strakblauwe hemel. Ja, ja, zo'n dag was het.