Jaap van Deurzen

Iedereen een bijnaam

02 december 2018 06:10

Vrouwlief Blond en ik hebben een onschuldige afwijking. We geven mensen in onze omgeving allemaal een bijnaam. Niet uit kwaadaardigheid, maar omdat we dat geestig vinden. Zo wonen we bijvoorbeeld naast Dikkie Dik (de naam van de befaamde rode kat uit de kinderprentenboeken). Heel creatief was die vondst niet, want onze buren heten Dickie en Dick.

"Ga jij nog even langs Appelkoontje?" vraagt Blond terloops. Het is de opmaat van haar tactiek om mij alle boodschappen te laten doen, let op. Appelkoontje is onze groentejuwelier in Weesp, een fijne vent met wangen zo rood als goudrenetten. Ik weet niet of zijn personeel aan het aardbeieninfuus ligt, maar ze hebben allemaal van die gezonde koortskonen.

"Nee, geen walnoten deze week. Pleur in vredesnaam die kaas in mijn mandje."

En dan komt de aap uit de mouw: of ik nog even een trits andere neringdoenden wil aanvliegen. "Je bent toch in de buurt", meesmuilt Blond, die hondslui is geboren. Of ik door wil fietsen naar de wekelijkse markt van Weesp. Daar heeft kaasboer Lachebekje zijn kraam opgezet. Lachebekje spreekt met consumptie en bubbelt belletjes, de hele dag door. In een mum van de tijd zitten zijn mondhoeken vol met witte plak waardoor zijn gezicht iets onsmakelijk clownesk krijgt. Ik weiger pertinent om een 'plakje te snoepen'. Met afgewende blik bestel ik onze boerenbelegen en probeer elke conversatie te mijden. Nee, geen walnoten deze week. Pleur in vredesnaam die kaas in mijn mandje.

Als een betrapte voortvluchtige ijl ik de Slijkstraat in, waar nog meer onheil wacht. Want voor ik een ontwijkende slalom heb kunnen maken, kom ik de Kabouters tegen. Het goedlachse paartje komt ongeveer tot onder mijn borstbeen. Wat ze tekortkomen in lengte compenseren ze met spraakwater. Of ik nog gevaarlijke gebieden heb bezocht, brult de kabouterbaas.

"Ik voel me zo'n knikkend hondje op een hoedenplank van een auto."

Die vraag hebben ze waarschijnlijk ook in Aleppo gehoord. Zijn vrouw is doof en hij is gewend om te roeptoeteren. Als ik nee zeg en door wil lopen, houdt hij mijn arm vast. En dan gaat het los. De twee hebben de gewoonte ontwikkeld om elkaar naadloos aan te vullen zodra een zin ten einde loopt. Omdat de vrouw niet altijd meekrijgt waar manlief het over heeft, sta je steevast naar twee volstrekt verschillende kletspraatjes te luisteren. Ik voel me zo'n knikkend hondje op een hoedenplank van een auto. Als het regent, lijkt het of ik een paar gekrompen kleuters toespreek onder hun paraplu, die tot mijn strottenhoofd komt.

Door naar Wenkbrauwtje voor de krant. De man achter de toonbank van de kiosk is een bolle Turk en heeft wenkbrauwen als een neanderthaler. Zijn gitzwarte ogen staan altijd wantrouwig, alsof je op het punt staat om hem te beroven. Het lijkt of hij de krant het liefst anaal wil inbrengen. Maar als ik het dagblad afreken, lacht hij heel vriendelijk. Schijn bedriegt altijd.

"Er is niets dreigends aan Tiet, die de belichaamde vriendelijkheid is."

Mijn Weesper queeste eindigt bij de buurtsuper. Mijn ogen zoeken bij het rijtje kassa's naar Tiet, een intens lieve vrouw met een gigantische boezem. Haar borsten rusten op de rand van de lopende band. Onlangs had ik een nachtmerrie en droomde dat de Weesper moppen op het rollende rubber naar me toe gleden. Maar er is niets dreigends aan Tiet, die de belichaamde vriendelijkheid is. "Ik heb u weer op de televisie gezien, hoor! Wat doet u dat toch altijd leuk! We zetten hem altijd wat harder als we u horen", zegt ze tussen de persistente piepjes van het kassa-apparaat door. 

Als een beladen sherpa sjok ik huiswaarts over de gracht. "Hallo Kontje", zegt Blondje als ik thuiskom. "Tiet en Lachebekje nog gezien?" Ik knik en geef het grif toe, Weesp is een open inrichting.